Inspiratie en het gezag van de Bijbel


De voortgang in de openbaring



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə10/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   24

De voortgang in de openbaring


I DE VOORTGAANDE ONTWIKKELING VAN GENESIS TOT DE OPENBARING VAN JOHANNES IS DUIDELIJK

De Bijbel is niet kant en klaar uit de hemel gevallen, zoals dat van de Koran wordt beweerd. De samenstelling van de bijbel, van Mozes tot Johannes, nam ongeveer 16 eeuwen in beslag; in de loop van deze tijd werd de goddelijke waarheid steeds duidelijker geopenbaard.

Het opgaan van de zon is een uitstekende illustratie: de dageraad kondigt zich geleidelijk aan, de zon verschijnt aan de horizon en klimt langzaam en gestadig hoger, totdat zij haar hoogtepunt bereikt heeft, terwijl haar licht hoe langer hoe krachtiger wordt, totdat het tenslotte het hele landschap verlicht.

Christus is onze ‘zon der gerechtigheid’ (Mal. 4:2) , God die zich geopenbaard heeft, het thema van de hele bijbel. In de boeken van het Oude Testament is Zijn komst lange tijd voorbereid en heel precies voorzegd. Toen de tijd vervuld was, werd het goddelijk Woord zicht­baar door middel van de menswording en richtte het zich rechtstreeks tot de mensen des welbehagens. Na de uitstorting van de Heilige Geest voltooien en verklaren de apostelen deze heerlijke boodschap waarvan de Openbaring van Johannes de voleinding vormt. Het laatste sta­dium zal het einde van de huidige ‘kennis’ zijn, wanneer we van aan­gezicht tot aangezicht zullen zien en zullen kennen zoals we zelf ge­kend zijn (1 Cor. 13:8, 12).

II GOD GEBRUIKT, OM ONS TE ONDERRICHTEN, EEN PEDAGOGISCHE METHODE, MAAR HIJ LEERT ONS NIET DE WAARHEID DOOR MIDDEL VAN IETS DAT NIET WAAR IS

In het begin behandelt Hij de mensheid als een kind dat net is begon­nen naar school te gaan. De onderwijzer past zich aan bij de mentaliteit en de ontwikkeling van het leerlingetje. Hij zal het alleen dingen leren die juist zijn, maar hij zal dit doen op een eenvoudige manier die tot de verbeelding van het kind spreekt. Later, als hij bijvoorbeeld overgaat tot uit het hoofd rekenen en algebra, zal de leraar niet de eerste begrippen van de rekenkunde hoeven te verbeteren, maar hij zal deze alleen maar moeten preciseren en aanvullen.

Evenzo leert God de mensen vanaf het begin slechts de waarheid, maar op een manier die is aangepast aan hun omstandigheden en aan hun begrip. Hij vermengt Zijn eerste openbaringen niet met vergissingen en legenden die Hij later weer moeizaam zou moeten afwijzen. Degenen die dit beweren huldigen nog steeds de veelomstreden evolutietheorie volgens welke de mens, afstammend van de aap, langzamerhand de holen en de barbaarsheid en het beweerde grove ‘polytheïsme’ van de aartsvaders zou hebben verlaten om tot het meer ware beeld van God en van de profeten en van Jezus Christus te komen. Een dergelijke opvatting is precies het tegenovergestelde van het bijbelse begrip open­baring, en zij is ook in strijd met de archeologische vondsten en met de geschiedenis van de vroege beschavingen. De gevallen mens die op zijn eentje een beeld van God probeert te scheppen, kan, dat is dui­delijk, slechts in het duister tasten en alle menselijke godsdiensten en filosofieën vormen hier het droevig bewijs van. Alleen de bijbel kan ons iets geheel anders brengen: daarin buigt de verheven en soevereine God Zich neer om tot ons te spreken en om ons te redden. Hij kan dit, als Hij Zich niet verloochenen wil, slechts doen in bewoor­dingen van volstrekte waarheid, ook al moet Hij Zijn openbaring tot aan het einde van de Schrift aanvullen en verdiepen.

III DE TWEE GROTE DELEN VAN DE BIJBEL WORDEN GEKENMERKT DOOR EEN OVEREENKOMSTIGE VOORTGANG IN DE OPENBARING

HET OUDE TESTAMENT

De geschiedkundige boeken:

Het begin van de openbaring, de theofanieën, de persoonlijke mede­delingen aan de aartsvaders.

De verlossing van Israël, het verbond dat bekrachtigd werd door teke­nen en wonderen, de wet die in bijzonderheden aan Mozes werd ge­geven en die gedeeltelijk door Gods vinger was geschreven.

De levensbeschrijvingen van de aartsvaders en het leven van het uitverkoren volk, openbaren de Heer van de geschiedenis, zoals zij ook de strijd en de overwinningen van de gelovigen illustreren.



De poëtische boeken: de vroomheid, het verkeer met anderen, het gebed, de verzoekingen en de vertroostingen van de man Gods.

De profetische boeken: de steeds nauwkeuriger aankondiging van het lijden en van de uiteindelijke overwinning van de Messias, de Heiland van Israël en van de volkeren; de boodschap wordt abstracter, maar tegelijkertijd geestelijker; de behandeling wordt meer persoonlijk en richt zich meer tot het hart.

HET NIEUWE TESTAMENT

Een gelijksoortig schema laat ons weer dezelfde stadia zien:

De Evangeliën: in plaats van de theofanieën, de menswording van God in Christus, de rechtstreekse openbaring aan de apostelen, de verkon­diging van het nieuwe verbond dat gebaseerd is op het offer aan het kruis en bevestigd is door tekenen en wonderen. De schrijvers van de Evangeliën stellen eenvoudigweg de woorden en de werken van Chris­tus op schrift.

De Handelingen: historische demonstratie van de tussenkomst van God, het ontstaan en de groei van de kerk, het heil dat de volkeren wordt gebracht.

De brieven: door de Heilige Geest, die in hen woont, spreken de apos­telen zelf. Zij openbaren hoe het leven van godsvrucht, heiliging, een­heid en overwinning van de gelovigen moet zijn.

Openbaring: het grote profetische fresco dat de definitieve overwinning van Christus en van de Zijnen, op aarde en tot in eeuwigheid, onthult.

IV DE OVERGANG VAN HET OUDE NAAR HET NIEUWE TESTAMENT LAAT EEN ONONDERBROKEN VOORTGANG IN DE OPENBARING ZIEN

1. Nadat God door de profeten heeft gesproken, spreekt Hij nu tot ons in Zijn Zoon (Hebr. 1:1-2).

2. De beloften aan Israël vinden hun vervulling in het Evangelie (Hand. 13:32-33).

3. De eredienst, de offers, de tabernakel en de feesten van het oude verbond waren een afbeelding en een schaduw van de hemelse dingen die in Christus geopenbaard zijn (Hebr. 8:4-5, Col. 2:16-17).

4. De aanwijzingen die Israël gegeven werden, kwamen overeen met zijn graad van ontwikkeling. De wolkkolom en de vuurkolom leidden het volk en duidden de plaatsen aan waar zij halt moesten houden en ook de weg die zij moesten volgen (Exodus 14:19-20; Num. 9:15-23). In twijfelgevallen raadpleegden zij de Here door middel van de Urim en de Tummim (Num. 27:21, Ezra 2:63). Bij andere gelegenheden wierpen zij het lot voor het aangezicht van de Here (Joz. 18:6; 1 Sam. 14:41-42; 1 Kron. 24:5); dit gebruik had de overhand tot even voor Pinksteren (Hand. 1:26). Zulke uitwendige middelen pasten bij een volk waarvan het ontluikend geloof voortdurend tekenen en won­deren vereiste. (vgl. Joh. 4:48).

Vanaf Pinksteren heeft de Here Zijn volk geleid door de innerlijke aanwezigheid van de Heilige Geest en door de overtuiging die wordt voortgebracht door het geschreven Woord. Wij hebben niet langer de wolkkolom, maar de goede Herder Zelf gaat voor ons uit. Hij laat een ieder van ons persoonlijk Zijn stem horen, zoals Hij dat had beloofd in Jes. 30:21 (Joh. 10:3). Hij zegt niet tegen ons ‘Doe dit en gij zult leven’, maar ‘Indien gij gelooft, zult gij de heerlijkheid Gods zien’ (Joh. 11:40).

5. Israël zelf was, in zekere zin, een voorafschaduwing van de kerk. De Israëliet werd door zijn geboorte lid van het uitverkoren volk (van­daar het belang van de geslachtsregisters). Hij ontving terstond als teken hiervan de besnijdenis. De volgende hiërarchie was ingesteld: Aäron, de hogepriester had toegang tot het heilige der heiligen, de Levieten en priesters tot het heilige en het volk tot de voorhof. Daar­entegen wordt men lid van de kerk door de wedergeboorte en de doop van de Heilige Geest, die de besnijdenis van Christus is (Col. 2:11-12). De nieuwe hiërarchie is als volgt: Christus, het enige Hoofd van de kerk, is eens voor altijd voor ons in het heiligdom binnengegaan (Hebr. 9:12); alle gelovigen zijn een koninklijk priesterschap geworden, die God dienen in het heiligdom (1 Petrus 2:5, 9-10), terwijl de hele wereld uitgenodigd wordt tot de gemeente te naderen, waar het kruis van het zoenoffer staat opgericht.

6. De wet als de noodzakelijke voorbereiding voor de genade. Ge­schreven op stenen tafelen (de Tien Geboden, 2 Cor. 3:3), buiten de mens om, kon de wet slechts de absolute eisen van God openbaren en iedere vastgestelde overtreding veroordelen. Hij was een pedagoog om ons tot Christus te leiden, om te overtuigen van zonde en om de universele behoefte aan een Heiland te openbaren (Gal. 3:24).

De genade, daarentegen, schrijft de wil van God in onze harten (Hebr. 8:10). Haar doel is ons te veranderen in onze bedoelingen, onze gedachten en verborgen gevoelens: (boosheid, blikken, echtbreuk, woorden, wraak, enz. Matth. 5:21-22, 27-28, 31-32, 33-34, 38-39). Zij verandert ons hart van steen in een hart van vlees en geeft in ons binnenste de Geest van de levende God (Ezech. 36:26-27).

7. Het uitzicht dat het Oude Testament biedt is hoofdzakelijk aards, dat van het Nieuwe Testament is bovenal hemels. Abraham ontving de belofte van een nageslacht, een land en een aardse zegen (Gen. 12:3). Door het Paaslam werd Israël vrijgekocht uit Egypte en vond het rust in Kanaän. Voor de vrome Israëliet ging de belofte van een zegen gepaard met materiële welvaart. (Deut. 28:1-4). De straffen waren ook aards en lichamelijk (vv. 15-68). Het zicht op een leven na dit leven was nog weinig ontwikkeld.

Het Nieuwe Testament geeft ons daarentegen een beeld van de ge­meenschap van de uitverkorenen, die allen wedergeboren zijn door de Heilige Geest. Zij hebben eeuwig leven ontvangen en zijn begiftigd met die betoningen van genade die in de eerste plaats geestelijk en hemels zijn. ‘Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen’ (Fil. 3:20). Van nu af aan zou een godvruchtig leven niet langer materiële voor­delen garanderen, maar veeleer vervolgingen (2 Tim. 3:12). Ander­zijds vertonen zich de perspectieven van het hiernamaals in felle belich­ting: eeuwige straf voor de onboetvaardigen en een heerlijke opstanding en eeuwig geluk voor de verlosten.

8. De voortgang van het ‘koninkrijk Gods’ wordt geleidelijk aan ge­openbaard. Dit koninkrijk is in principe de sfeer waar God regeert. In de Schrift kunnen we daarvan zeven verschillende stadia onderscheiden:

a. Het paradijs, waar alles ‘zeer goed’ was, tot de zondeval kwam (Gen. 1:31).

b. De theocratie in Israël, waarin God regeert door middel van ‘rich­teren’ van Mozes tot Samuël.

c. Het koninkrijk aangekondigd door de profeten: God, wiens soevereiniteit door het volk verworpen is (1 Sam. 8:7, 8), houdt niet op het Rijk van gerechtigheid en vrede dat de Messias zou oprich­ten te voorzeggen (Jesaja 11).

d. Het koninkrijk aangeboden en verworpen in de Evangeliën: ‘Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Het Koninkrijk Gods is bij u (in uw midden). Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen’ (Matth. 4:17; Lucas 17:21; 10:9-11). ‘Wij willen niet, dat deze koning over ons wordt. Wij hebben geen koning, alleen den keizer’ (Lucas 19:14; Joh. 19:15).

e. Het koninkrijk dat verborgen is in het hart is het kenmerk van het huidige koninkrijk dat we kunnen binnengaan door de wederge­boorte en dat toegankelijk is voor zowel heidenen als Joden (Joh. 3:3, 5; Col. 1:13). In de wereld, zelfs in de ‘godsdienstige’ wereld, is het goede vermengd met het kwade (vgl. de gelijkenissen van het koninkrijk van Mattheus 13; zie v. 38); maar de afwezige koning zal terugkomen om de grote zifting te verrichten vv. 38-43; Lucas 19:12, 15).

f. Het duizendjarig Rijk, waarin de satan gebonden zal zijn, zodat hij de volkeren niet meer zou verleiden. (Openb. 20:1-10).

g. Het eeuwig koninkrijk in de hemel (2 Petrus 1:1-10; 2 Tim. 4:18). Het is duidelijk, dat, terwijl bepaalde openbaringen een bepaald tijdperk betreffen, andere een absolute en eeuwige betekenis hebben. Bepaalde voorschriften kunnen wegvallen, zoals de bloe­dige offers, de besnijdenis, de feesten en de sabbat, het feit dat alleen Joden bij het volk van God kunnen horen, enz. Zij zijn niet meer nodig, als de voortgang van de openbaring de definitieve werkelijkheid aan het licht heeft gebracht, waarvan zij slechts de schaduw en de afbeelding waren (Col. 2:16-17).

9. Het zedelijke gedrag en de heiligheid die van het volk Gods geëist worden, zijn het onderwerp van meer en meer strikte openbaringen.

Het zou onjuist zijn alle bladzijden van het Oude Testament te willen beoordelen naar de maatstaf van onze meer volmaakte kennis van het evangelie van liefde en genade dat Jezus Christus heeft gebracht. God vraagt klaarblijkelijk meer van Zijn volk onder het nieuwe verbond, daar de Heilige Geest het mogelijk maakt een hoger niveau van heilig­heid te bereiken.

Zes keer verklaarde Jezus: ‘Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is ... Maar Ik zeg u’ (Matth. 5:21, 27, 31, 33, 38, 43). En in elk van die gevallen gaan Zijn eisen met betrekking tot gevoelens, woorden, blikken, echtelijke trouw, geloften, weerloosheid en liefde, veel verder dan de wet van Mozes.

Wat echtscheiding betreft maakt Christus duidelijk dat, ofschoon Mozes het toeliet vanwege de hardheid van hun harten, ‘het van den beginne niet zo is geweest’ (Matth. 19:8). In de hof van Eden waren man en vrouw volkomen één (Gen. 2:24). Na de zondeval, toen de zonde terstond de huwelijksband bedreigde, werd echtscheiding tijdelijk toe­gestaan. Maar Jezus trekt deze toestemming in voor de gelovige echt­genoten van het nieuwe verbond, die de Heilige Geest in staat stelt om heilig en trouw te blijven.

Hetzelfde geldt voor de polygamie. Zij deed haar intrede (vanaf Gen. 4:19) om vleselijke redenen, en is altijd de oorzaak geweest van betreurenswaardige jaloersheden en rivaliteiten. Zie de trieste voorbeel­den van de vrouwen van Abraham, Jakob, Elkana, Salomo, enz. Mozes moedigde polygamie niet aan (Deut. 17:17) en hij bestrafte het mis­bruik dat ervan gemaakt werd, zonder haar echter in één slag af te schaffen. Daarentegen heeft zij geen plaats meer in het Nieuwe Tes­tament.

De openbaringen die te maken hebben met oorlog zijn ook geleidelijk aan meer gelijkvormig geworden aan het goddelijke ideaal. Laten we allereerst opmerken dat het gebod ‘Gij zult niet doden’, moord ver­biedt, terwijl de wet voor overtreders van dit gebod de doodstraf in­stelde (Exodus 20:13; Exodus 21). Toen God de opdracht gaf de zeer verdorven Kanaänieten uit te roeien, verwijderde Hij een kankerplek die Zijn plan om door Israël het heil van de wereld te verzekeren van nul en gener waarde zou hebben gemaakt. Jezus gaf de kerk een nieuw gebod van liefde, vergeving en weerloosheid (Matth. 5:39, 44; vgl. Rom. 12:17-21). De politieke machten in het geweer brengen om ketters te verbranden is een vèrgaande terugkeer tot het Oude Testa­ment en toont een volkomen gebrek aan begrip van zowel de liefde van de Heiland als van de voortgang van Gods openbaring.

We moeten echter constateren, dat de situatie in de ongelovige wereld niet veranderd is, deze wereld is nog steeds aan de wet onderworpen. Paulus verklaart dat de (Romeinse) magistraat (onder Nero) een die­naar van God is, en het zwaard (de doodstraf) draagt om degenen die het kwade doen te straffen (Rom. 13:4).

V DE OPENBARING BIJ UITSTEK, DIE VAN JEZUS CHRISTUS, WORDT STEEDS SCHERPER OMLIJND.

Om dit onderwerp grondig te behandelen, zouden we eigenlijk de hele bijbel moeten bestuderen. We zullen ons hier beperken tot het geven van enkele aanwijzingen.

In de Pentateuch wordt de belofte van de Messias-Heiland steeds duidelijker (Gen. 3:15, 22:18; 49:10, enz.).



De historische boeken maken melding van het feit dat Hij een afstam­meling van David zal zijn (2 Sam. 7:14);

De Messiaanse Psalmen staan vol van buitengewone profetieën (bv. Ps. 22);

De profeten voltooien de weergave van zijn beeld op bijzonder tref­fende wijze (bv Jes. 53);

De Evangeliën geven rechtstreeks het beeld van de Heer die van Zich­zelf kon zeggen: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien’ (Joh. 14:9);

De brieven vervullen de belofte die gedaan wordt in Joh. 16:12-13; zij stellen de persoon en het werk van Christus en de heerlijkheid van het nieuwe verbond duidelijk in het licht;

Tenslotte geeft Openbaring de definitieve openbaring van de Heer als het glorierijke Hoofd van de kerk, de onbuigzame Rechter van de we­reld en van Satan en de soevereine Heerser over de tijd en de eeuwig­heid.

Wanneer de gelovigen van aangezicht tot aangezicht zullen zien (1 Cor. 13:12), zal hun aanschouwen van de almachtige God en van het verheerlijkte Lam volkomen zijn (Openb. 21:23).

VI DE GOD DIE ZICH GELEIDELIJK OPENBAART BLIJFT ONVERANDERLIJK DEZELFDE

De zon die de duisternis langzamerhand doet verdwijnen, verandert zelf niet, terwijl zij steeds helderder gaat schijnen, tot zij haar hoogte­punt bereikt op het midden van de dag. Reeds vanaf de allereerste bladzijden beschrijft de bijbel ons dezelfde God - soeverein, eeuwig, almachtig en volkomen wijs.

Zijn heiligheid en Zijn rechtvaardigheid komen overal duidelijk aan het licht in Zijn houding tegenover het kwaad. Zij die geschokt worden door de oordelen in het Oude Testament, schrijven deze toe aan een wrede stam-godheid die geheel anders is dan de God van Jezus Chris­tus. In werkelijkheid is hetgeen men verwerpt de idee van een volko­men heiligheid, die in staat is streng te oordelen. Mensen met een der­gelijk vooroordeel, kunnen noch de zondvloed noch de verwoesting van Sodom, noch de bestraffing van de Kanaänieten, noch die van de Israëlieten zelf aanvaarden. In het Nieuwe Testament zouden ze het eeuwig verderf van de onboetvaardigen wel willen schrappen. Alle mensen, zeggen zij, zijn gered in Christus, ofschoon sommigen het nog niet weten. De Schrift spreekt hier heel anders over: de aardse, licha­melijke straffen van het Oude Testament waren ernstig - maar die van het Nieuwe Testament, geestelijk en eeuwig, zullen veel geduchter zijn (Hebr. 10:26-31). Gods liefde en ontferming vormen de gouden draad die door de hele bijbel loopt.

Exodus en Numeri illustreren de voorzienigheid en het geduld van de God die Zijn weerspannig volk verlost, terwijl Hij voorziet in al hun noden. Deuteronomium verklaart vierentwintig keer, dat de wet ge­geven is om een gehoorzaam volk geluk, toename in aantal en een lang leven te verzekeren. De psalmdichters, evenals de profeten, verheerlij­ken de enige God, Hij die trouw en heilig is, dicht bij Zijn schepselen, de almachtige Heerser van het heelal die in Zijn wonderbaarlijke liefde alle volkeren het heil aanbiedt.

Wie zo de God van het Oude Testament kent, ontmoet Hem weer in het Nieuwe Testament met als enige overgang dat hij daar een meer persoonlijke en veelzijdiger openbaring van Zijn oneindige volmaakt­heden vindt. ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan den boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen’ (Joh. 1:18). Het evangelie doet ons kennen ‘het geheimenis van Zijn wil, in overeenstemming met het welbehagen dat Hij Zich in Hem had voor­genomen ... om alles in Christus samen te vatten’ (Efz. 1:9-10); ‘ . . opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden’ (3:10).

Wat een onvoorstelbaar wonder is dit: ‘De zalige en enige Heerser, de Koning der Koningen en de Here der heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, dien geen der mensen gezien heeft of zien kan, Hem zij eer en eeuwige kracht’ (1 Tim. 6:15-16), wil onze stamelende tongen gebruiken om Zich op een steeds vollediger manier aan ons mee te delen! Geen wonder dat de Auteur van een dergelijke openbaring daarvoor zoveel eeuwen en zoveel verschillende menselijke werktuigen heeft gebruikt om dit grootse doel te bereiken in de zesenzestig boeken van de bijbel!

HOOFDSTUK VIII



Dostları ilə paylaş:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə