Inspiratie en het gezag van de Bijbel


Foutloosheid en inspiratie



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə12/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   24

Foutloosheid en inspiratie


I DEFINITIE EN ALGEMENE OPMERKINGEN

De definitie van woordelijke, volledige inspiratie (vgl. Deel III, hoofd­stuk III, paragraaf 1 ‘definities’), houdt in, dat toen de bijbel­schrijvers de originele manuscripten samenstelden, zij zó geleid werden, dat zij de boodschap, die God de mens wilde meedelen, volkomen en zonder fouten weergaven.

De termen ‘foutloosheid’ en ‘onfeilbaarheid’ lijken ons praktisch ver­wisselbaar. Sommige mensen vinden dat het woord ‘onfeilbaarheid’ te veel doet denken aan de onfeilbaarheid van de Paus, en dat dit de bijbel tot een papieren Paus maakt die altijd onmiddellijk op alle vragen een antwoord heeft. Het hele verschil is niets anders dan dat, als de bijbel onfeilbaar is, hij geen fout kán maken en dat, als de bijbel foutloos is, hij geen fouten bevat.

Foutloosheid is het kernpunt van de theopneustie; zij geeft duidelijk de scheidingslijn aan tussen de evangelische bijbelgetrouwen aan de ene kant en de vrijzinnigen en de dialectische theologen die de foutloosheid ontkennen aan de andere kant. Terwijl het geloof zich bevindt op een onaantastbaar geestelijk vlak, is de leer van de foutloosheid, die zich met waarneembare feiten bezig houdt, veel meer blootgesteld aan aan­vallen van het ongeloof (aldus in ‘n toespraak van H. Blocher in 1964). Wij hebben een dergelijke leer niet bedacht; zij is te vinden in de grote geloofsbelijdenissen die meer in bijzonderheden vermeld worden in Deel IV, hoofdstuk III, paragraaf III. Onze vaders in het geloof beschouwden de bijbel immers als ‘het criterium van alle waarheid’ (La Rochelle), ‘het ware woord van God’ (2de Helvetische belijdenis), en ‘goddelijk en canoniek’ (de Waldenzen kerken van Piëmont). De West­minster belijdenis voegt hier aan toe: ‘Dat we volledig overtuigd en zeker zijn van de onfeilbare waarheid van de bijbel is het innerlijke werk van de Heilige Geest. Het Hebreeuwse Oude Testament en het Griekse Nieuwe Testament die door God geïnspireerd zijn en door zijn zorg en voorzienigheid door de eeuwen heen zuiver zijn gebleven, zijn daarom authentiek’. Ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis, opgesteld door Guido de Brès in 1561, spreekt zo.

Calvijn gaat zelfs zo ver dat hij zegt: ‘We zijn aan de Schrift dezelfde eerbied schuldig als aan God, omdat zij van Hem alleen afkomstig is’. Wat is de oorsprong van de leer van de onfeilbaarheid? Voor ons vloeit zij voort uit het karakter en de verklaringen van de Schrift zelf. Zij houdt niet op zich telkens weer aan te dienen als het woord van God. Als de Here spreekt, kan Hij niet liegen; Hij kan ook niet de waarheid leren door middel van de dwaling. Zijn waarheid en Zijn macht zijn in het geding. Als Hij van den beginne op onbetrouwbare wijze gesproken had, of de waarheid vermengde met leugen, wat zouden we dan van Hem moeten denken? Wat voor zekerheid zouden we in een dergelijke openbaring kunnen vinden, waar toch ons eeuwig heil van afhangt? Of als God, na de bijbelschrijvers een tot in details betrouwbare bood­schap te hebben gegeven, niet in staat zou zijn gebleken ervoor te zorgen dat deze boodschap op een betrouwbare manier werd over­gedragen, zou Hij ons dan niet teleurstellen? Wat voor nut zou Zijn eerste openbaring in dat geval gehad hebben?

II WAT ZEGT DE BIJBEL OVER ZIJN EIGEN ONFEILBAARHEID?

Ten eerste, hebben wij het recht ons geloof in de onfeilbaarheid te baseren op het getuigenis van de bijbel? Is dat niet een vicieuze cirkel, net als wanneer men een rechterlijke beslissing eenvoudigweg zou baseren op de verklaringen van de beklaagde, of van de ondervraagde getuige? Nee, want hier gaat het om de Here Zelf, de enige bron van de ware kennis. Net zoals we aan de Schrift de leerstukken ontlenen aangaande God, Jezus Christus, de Heilige Geest, het oordeel, het heil, de toekomst, enz., kunnen we ook slechts aan de openbaring een zekere leer betreffende het geschreven Woord ontlenen. Onze eerste vraag ten opzichte van welk onderwerp dan ook, moet luiden: Wat zegt de bijbel hierover? (Rom. 4:3; Gal. 4:30).

De schrijvers van het Oude Testament zijn bijzonder stellig: zij beves­tigen 3808 keer dat zij de eigen woorden van God overbrengen.

Nadat Mozes de wet heeft gegeven zegt hij: ‘Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen’ (Deut. 4:2; vgl. 6:1-2, 6-9; vgl. 12:32). De psalmdichter roept voortdurend uit: ‘De wet des Heren is volmaakt ... de getuigenis des Heren is betrouwbaar ... ik vertrouw op uw woord ... Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar uw gebod is onbegrensd ... Uw woord is gelouterd, Uw knecht heeft het lief ... Uw wet is waarheid ... Uw getuigenissen zijn gerechtigheid voor eeuwig ... al Uw geboden zijn waarheid ... Heel Uw woord is de waarheid, al Uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig ... Mijn tong zal Uw woord bezingen, want al Uw geboden zijn gerechtigheid!’ (Ps. 19:8; 119:42, 96, 140, 142, 144, 151, 160, 172).



Christus heeft op stellige wijze de waarheid van het Oude Testament bevestigd. Hij wees er geen enkele onwaarheid in aan, noch uitte Hij enige twijfel omtrent het Oude Testament. Hij baseerde altijd Zijn argumenten en Zijn leer op de Schrift. Hij verklaarde: ‘Er zal niet één jota of tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied’ (Matth. 5:18). Toen Hij met de Joden over één enkel woord discussieerde, zei Hij: ‘De Schrift kan niet gebroken worden’ (Joh. 10:35). Bij Zijn afscheid bad Hij ‘Heilig hen in uw waarheid; Uw woord is de waarheid’. (17:17).

De apostelen getuigden ook van de volmaaktheid van de Schrift. Paulus zegt dat de wet heilig is en dat ook het gebod heilig en recht­vaardig en goed is’ (Rom. 7:12). Het onderwijs van de apostel houdt zich zozeer aan de tekst (bv. Gal. 3:16-17), dat elke onwaarheid in de aangehaalde schriftgedeelten aan dat onderwijs het fundament zou ontnemen.

Voor de schrijver van de brief aan de Hebreeën, is het Woord van God levend, krachtig en doordringend; het is zelfs rechter oven onze gevoelens en onze gedachten (Hebr. 4:12). Het past ons niet ons op te stellen als rechters over het Woord.

Jacobus zegt: ‘Hij (heeft) ons voortgebracht door het woord der waar­heid’, en beschrijft vervolgens het woord als ‘de volmaakte wet, die der vrijheid’ (1:22-25). Overtuigd van het soevereine gezag van het woord geeft hij ons de volgende ernstige waarschuwing: ‘Meent gij, dat het schriftwoord zonder reden zegt?’ (4:5).

Johannes besluit de geschreven openbaring met deze woorden: ‘Indien iemand hieraan toevoegt ... en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie’, God zal zijn deel afnemen van het eeuwige heil (Openb. 22:18-19). Als de Here Zelf Zijn boodschap heeft ge­geven, wie zou dan zo vermetel durven zijn deze boodschap aan te vullen, of zelfs die gedeelten die hij van weinig belang acht, te min­achten? Een getuigenis dat zo duidelijk en zo gelijkluidend is, is waar­lijk indrukwekkend. Nergens verklaart de bijbel ook maar één Schrift­gedeelte, of zelfs maar één bijzonderheid voor onwaar. Waar hij zonder mededogen de gebreken en de struikelingen van de mensen en van het volk van God vermeldt, is het feit dat hij volkomen zwijgt over even­tuele fouten van de bijbelschrijvers van zeer groot gewicht.

III WAAROP HEEFT DE ONFEILBAARHEID BETREKKING?

Het is duidelijk voor iedereen die bekend is met de feiten, dat de bijbeltekst die we nu hebben ettelijke moeilijkheden biedt. Daarom is het nuttig om, voordat we de bezwaren die tegen de leer van de foutloosheid worden ingebracht onderzoeken, eerst nader aan te geven waar deze leer betrekking op heeft. We zullen in het kort samenvatten wat F. E. Gaebelein zo voortreffelijk over dit onderwerp heeft ge­schreven.48

1. Foutloosheid betekent niet gelijkvormigheid van alle details in overeenkomstige verhalen geschreven door verschillende auteurs.

De boeken Samuël, Koningen en Kronieken hebben alle goeddeels betrekking op dezelfde geschiedkundige periode, maar zij bezien de dingen samen vanuit een verschillend gezichtspunt en ook gebruiken zij soms andere uitdrukkingen. De vier Evangeliën verhalen alle het leven van Christus, maar zij vermelden uiteenlopende bijzonderheden. In Handelingen onderscheidt elk van de drie verhalen van de bekering van Saulus (Hand. 9; 22:6; 26:12) zich door bepaalde bijzonderhe­den* Men overtrekt zulke verschillen vaak ten zeerste, door ze voor tegenstrijdigheden en onwaarheden uit te maken. In werkelijkheid vorderen de inspiratie en de foutloosheid van de Schrift weliswaar, dat iedere schrijver op betrouwbare wijze weergeeft, maar zij laten hem niettemin vrij die ware voorvallen te vermelden welke in het licht stellen wat hij wil leren. Als voor een rechtbank vier onafhankelijke getuigen woord voor woord hetzelfde verslag zouden geven van een reeks ingewikkelde feiten, zouden ze onmiddellijk van heimelijk over­leg beschuldigd worden. De gelijkluidendheid van hun getuigenis zou hen verdacht maken. Want het is een psychologisch feit, dat volkomen eerlijke getuigen dezelfde gebeurtenissen op geheel verschillende ma­nieren weergeven, omdat het onvermijdelijk is dat men dingen vanuit een verschillend oogpunt waarneemt. Dit geldt ook voor de bijbel­schrijvers. Zij waren geïnspireerd en schreven niets dat niet waar was. Maar zij hadden ieder hun eigen persoonlijkheid en waren geen auto­maten. Ook al vermelden ze niet altijd dezelfde bijzonderheden, al wat zij zagen en verhaalden was waar. Neem bijvoorbeeld de verhalen van de opstanding in de Evangeliën. De essentiële feiten zijn identiek: Christus is opgestaan; het graf was leeg; verschillende groepen disci­pelen hadden de Heer op verscheidene plaatsen gezien; Zijn nieuwe lichaam was niet onderworpen aan de beperkingen van een gewoon menselijk lichaam; na een bepaald aantal dagen verliet Hij de aarde weer. Inzake deze algemene feiten stemmen de Evangeliën overeen. Maar zij verschillen in bepaalde bijzonderheden en in de weergave van enkele minder belangrijke feiten. De verhalen zijn daarom niet minder authentiek en de waarheid ervan staat vast.

2. De foutloosheid van de bijbel sluit niet het gebruik van beelden en symbolen uit.

Alhoewel alles in de bijbel geïnspireerd is, volgt daaruit niet, dat we alles letterlijk moeten opvatten. Vele schriftgedeelten hebben duidelijk een rechtstreeks geschiedkundige, praktische, wettelijke of morele bete­kenis. Maar er zijn ook veel bladzijden waar de taal duidelijk symbo­lisch is: bijvoorbeeld in de Psalmen, het Hooglied, de profeten, even­als in de gelijkenissen van de Evangeliën, in Openbaring. Bovendien,

____________

*Noot van de bewerker: zie Grosheide in ‘Korte Verklaring, van Han­delingen’, uitg. Kok, Kampen.

duizenden uitdrukkingen in zowel het Oude- als het Nieuwe Testament zijn meer poëzie dan proza. Dit is ook de reden waarom de stijl van de bijbel altijd levendig en aantrekkelijk blijft. Daarom vereist geloof in de onfeilbaarheid van de bijbel geenszins, dat we slaafs gebonden zijn aan een volkomen letterlijke interpretatie van de bijbel. Trouwens, waarom zou deze foutloosheid beperkt moeten zijn tot mededelingen in proza en zou zij zich ook niet kunnen uitstrekken tot de symbolische en de beeldrijke taal die door de eeuwen heen in staat is tot de verbeel­ding van de mensen te spreken?

Dat wij herhaaldelijk ervan beschuldigd worden gedwongen te zijn alles letterlijk op te vatten is gedeeltelijk het gevolg van een verkeerd idee dat de critici van ons standpunt hebben. Zij verbeelden zich, dat onze opvatting omtrent woordelijke inspiratie ons ertoe dwingt elk woord op zichzelf, los van de context, als onderwerp van een op zichzelfstaande inspiratie te beschouwen. Dit is alles behalve waar. Men zou geen enkele taal of letterkunde op een dergelijke manier kunnen behandelen. Woorden, die dienen om gedachten over te bren­gen, zijn gerangschikt en bij elkaar gevoegd om één geheel uit te drukken. Het verband zal ons helpen om uit te maken of de interpre­tatie letterlijk, geestelijk of symbolisch moet zijn.49

3. De bijbelse foutloosheid houdt niet in het gebruik van een technische vaktaal die overeenkomt met de huidige wetenschappelijke terminologie.

De bijbelschrijvers waren allen mannen die in de oudheid leefden. Zij gebruikten de taal van hun tijd, en zij hadden niet de pretentie dat zij de moderne wetenschap konden voorzien. Maar met betrekking tot feiten die het vlak van de wetenschap raken, drukten zij zich uit op een wijze die met de grondbeginselen der wetenschap in overeenstem­ming is. Bijvoorbeeld, het bijbelse scheppingsverhaal raakt het vlak van de geologie, de astronomie, de biologie, de meteorologie, de dier­kunde en de fysiologie. De uitdrukkingen die gebruikt worden zijn geenszins technische uitdrukkingen. Toch zijn deze bladzijden niet alleen veel subliemer, maar ook veel logischer dan alle andere pogin­gen om een verklaring te geven voor het ontstaan van het heelal. Voor­dat we op dit punt terugkomen (Deel III Hoofdstuk X, paragrafen I en III) zullen we de meningen van twee hedendaagse geleer­den aanhalen. De beroemde geoloog Dana zegt: ‘Ik geloof dat het ,eerste hoofdstuk van de bijbel en de wetenschap met elkaar in over­eenstemming zijn’. Sir William Dawson, ook een geoloog, voegt eraan toe dat de opeenvolging van de scheppingswerken, zoals die in Genesis worden vermeld, feilloos is in het licht van de moderne wetenschap, en dat vele bijzonderheden een zeer opmerkelijke overeenkomst ver­tonen met de resultaten van de wetenschap’.50

Het is ook duidelijk dat de Schrift populaire uitdrukkingen gebruikt terzake van astronomie, geologie en andere wetenschappelijke gebieden, net zoals de meeste geleerden dat doen in een alledaags ge­sprek. De prediker zegt bijvoorbeeld, dat de zon opgaat en ondergaat (Pred. 1:5), net zoals wij dat nog altijd doen ook na de ontdekking dat de aarde draait.

4. Voor het juiste zicht op de foutloosheid moet de bijbelse boodschap natuurlijk wel in haar eigen historische omlijsting geplaatst worden.

Bepaalde uitspraken van de Schrift waren waar toen ze gedaan werden, ofschoon de omstandigheden nu verschillen. We lezen in het boek van Jozua, dat de twaalf stenen die opgericht werden midden in de Jordaan ‘daar zijn tot op de huidige dag’ (4:9). Dit betekent duidelijk, dat zij daar waren in de tijd dat dit werd geschreven. De chronologie van het Oude Testament is een delicate zaak. Men beweert wel dat zij onjuist is. Vast staat in elk geval, dat de mensen in de oudheid niet telden op de manier waarop wij dat doen en geen vaststaande universele kalender hadden. Het is moeilijk om precies vast te stellen hoe lang de koningen geregeerd hebben, omdat het laatste jaar van een regeringsperiode vaak een tweede keer geteld werd als het eerste jaar van de volgende regeringsperiode.51

De kwestie van de stijl en de grammatica moet ook beschouwd worden in de historische omlijsting. Wat dit punt betreft hebben we niet dezelf­de opvatting als de Mohammedanen hebben met betrekking tot de taal van de Koran. Voor hen is Het Boek in zijn volledige vorm uit de hemel gekomen, en gedurende lange tijd verzetten zij zich heftig tegen het idee er vertalingen van te maken. Het standpunt dat wij innemen tegenover de bijbel is, dat - al naar gelang van de tijd of de schrijver -het Hebreeuws zuiverder is en het Grieks meer of minder correct (zoals bijvoorbeeld in sommige boeken van de profeten of in Open­baring), zonder dat dit inhoud en bedoeling van de tekst aantast. De stijl is niet vormelijk, of gekunsteld, alsof de tekst gedicteerd werd. Ofschoon zij soms majestueus of dramatisch is, is zij vaak eenvoudig, afwisselend of zelfs heel alledaags.

Men beweert, dat voor sommige schrijvers van na de Reformatie, inspiratie en foutloosheid zelfs betrekking hadden op de punten die aan de medeklinkers in de Hebreeuwse tekst werden toegevoegd om de klinkers aan te duiden. Wij kunnen volstaan met hier op te ant­woorden, dat de klinker-punten werden bedacht door de Masoreten vanaf de vijfde eeuw na Christus.

5. Foutloosheid heeft betrekking op de bijbelse boodschap in haar geheel, binnen de hierboven nauwkeurig aangegeven grenzen en niet slechts voor het gedeelte dat te maken heeft met ‘geloof en moraal’. Als dit niet het geval zou zijn, zou men dan niet moeten toegeven dat de bijbel in andere opzichten kan falen? Laten we een voorbeeld nemen uit de geschiedenis: God is hier beneden tussenbeide gekomen; Zijn verlossingsplan voltrekt zich via de menswording en komt tot stand door nauwkeurig aangegeven historische feiten. Als de bijbel zich zou vergissen inzake deze feiten, waar zou ons geloof dan op berusten? (Zie wat Paulus zegt over de opstanding van Christus, evenals over de geschiedenis van Israël: 1 Cor. 15:14-19; 10:11; Rom. 15:4). Anderzijds zijn de geschiedkundige feiten zo nauw verbonden met de geestelijke realiteiten, dat het moeilijk zou zijn deze twee van elkaar te scheiden. We hebben gezien, dat hetzelfde geldt voor het scheppings­verhaal daar waar dit het vlak van de natuurwetenschappen raakt (geologie, astronomie, biologie, enz.). Het scheppingsverhaal en de ge­schiedenis van het paradijs, de zondeval, de zondvloed, enz. worden volledig bevestigd door Christus en de apostelen. Tenzij we deze ver­halen tot mythen willen maken, kunnen we ze niet scheiden van de geestelijke leringen die men eraan heeft ontleend. Laten we echter duidelijk stellen, dat voor ons de foutloosheid zich uitstrekt tot de tekst zelf, niet tot de vaak absurde interpretaties daarvan (zie wat dit betreft het voorbeeld van het ‘uitspansel’ dat gegeven wordt in Deel III, hoofd­stuk V, paragraaf I). Ook op het gebied van de geografie is de buitengewone nauwkeurigheid van de Schrift bevestigd door de archeo­logie en door een betere kennis van de oudheid.

Nog een woord over de uitdrukking die voorkomt in een aantal oude of recente geloofsbelijdenissen: ‘De bijbel is het woord van God, de enige onfeilbare regel voor geloof en leven’. Hiermee wil men tegelij­kertijd tot uitdrukking brengen, dat de bijbel geen wetenschappelijk of geschiedkundig handboek pretendeert te zijn; zijn gebied bij uitstek is dat van het geloof en van het leven. De bijbel is het boek van het heil; hij heeft tot doel ons tot God te brengen en ons in staat te stellen met hem te leven, eerst hier op deze aarde en dan voor eeuwig op de nieuwe aarde. Daarom blijven de zo geheten wetenschappelijke vragen welbeschouwd van secundaire betekenis. Daarmee zijn we het geheel en al eens.

6. De foutloosheid houdt niet in de alwetendheid van de bijbelschrij­vers. Zij kenden niet alle wetenswaardigheden over de onderwerpen die zij behandelden. Hun verklaringen kunnen waar zijn, zonder altijd volledig te zijn. Het feit dat er vier Evangeliën zijn is hiervan een illustratie. Elk van de vier draagt ertoe bij het tafereel vollediger te maken, uit te breiden en te voltooien. Dit verklaart waarom de bijbel niet altijd een volledig verslag geeft van bepaalde gebeurtenissen of een goed afgeronde alles omvattende uiteenzetting van een waarheid zoals men dat zou verwachten van de alwetendheid. De bijbel is geschreven door mensen, die bewaard zijn voor vergissingen, maar die niet begiftigd waren met het begripsvermogen van God.

Dat de bijbelse geschiedenissen absoluut alles vertellen was bovendien voor hun doel niet noodzakelijk. De Evangeliën zeggen bijvoorbeeld praktisch niets over Jezus vanaf de tijd dat Hij twaalf jaar oud was, tot de dag waarop Hij gedoopt werd door Johannes de Doper.

Een dergelijke informatie zou, naar de apocriefe evangeliën te oorde­len, zeker populair zijn geweest, maar niet noodzakelijk naar de mening van de Heilige Geest en van de schrijvers.52

IV BEDENKINGEN TEGEN DE FOUTLOOSHEID

De foutloosheid is meer betwist dan welk ander onderdeel ook van de leer van de inspiratie. We zullen de voornaamste tegenwerpingen bezien.

1. De foutloosheid is onverenigbaar met de menselijke natuur van de bijbelschrijvers. Vergissen is menselijk en alles wat menselijk is, is onvolmaakt. De bijbel is niet rechtstreeks uit de hemel komen vallen. God heeft, om hem op schrift te laten stellen, gebruik gemaakt van mensen die Hij te Zijner beschikking had, zoals een artiest beperkt is in zijn uitdrukkingsmogelijkheden door het materiaal dat tot zijn beschikking staat.

Een dergelijke redenering is juist, als men alleen ziet op de gevallen staat van de mens. Maar zij houdt volstrekt geen rekening met de almacht van God, noch met Zijn tussenkomst ter verlossing. Zoals de openbaring een wonder van Zijn kant is, is de inspiratie die de bijbel­schrijver voor fouten behoedt eveneens een wonder. Als het feit dat God van de menselijke natuur gebruik maakte op zichzelf onontkoom­baar invloed van de zonde zou meebrengen, dan zou Jezus Christus ook niet de volmaakte Heiland kunnen zijn, en dat is nu precies wat de ongelovigen beweren.

We hebben al gezien dat, als de bijbelschrijvers aan hun natuurlijke feilbaarheid zouden zijn overgelaten, deze feilbaarheid zich dan nood­zakelijkerwijs tot elk gebied zou hebben uitgestrekt, evengoed tot het geestelijke als tot het historische en het wetenschappelijke. Omgekeerd, als ze foutloos zijn inzake geestelijke waarheden, waarom zouden ze’t dan ook niet in andere zaken zijn? Indien de menselijke feilbaarheid alleen zou gelden voor het opschrijven van de bijbeltekst, nogmaals, hoe zouden wij dan het ware van het valse kunnen onderscheiden, wij die zelf feilbaar zijn? In dat geval zou er voor ons niets anders meer overblijven dan twijfel.

2. De moderne wetenschap zou de oude opvatting omtrent een vol­maakte bijbel definitief teniet hebben gedaan. Geen enkel ontwikkeld mens, aldus beweert men, kan tegenwoordig nog geloven in de foutloos­heid van de Schrift.

Dat moet nog altijd bewezen worden! Het is waar dat in de 19de eeuw men wetenschap en geloof tegenover elkaar meende te moeten plaatsen, terwijl ze volstrekt niet tegenstrijdig zijn, maar op een verschillend vlak liggen. We zouden een lange lijst van grote geleerden kunnen opsommen die niet alleen in God geloven maar ook hun geloof in de bijbel betuigen.

In het hoofdstuk getiteld ‘Moeilijkheden in de bijbel’, zullen we zien hoe sommige ‘vergissingen’ die de bijbel verweten worden, beschouwd worden door een wetenschap die naar wij menen, beter ingelicht is. Hier volgt de mening van professor Robert Dick Wilson, van Princeton, meermalen gedoctoreerd en kenner van vijfenveertig talen en dialecten van het Nabije Oosten, waaronder alle Semitische talen: ‘Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat niemand genoeg weet om de geloofwaardig­heid van het Oude Testament te bestrijden. Telkens als iemand genoeg bewijsstukken bij elkaar had weten te krijgen om een kritisch onderzoek te ondernemen, bleken de bijbelse feiten uit de oorspronkelijke tekst glansrijk de proef te doorstaan’.53

Laten we verder niet vergeten in welke mate de wetenschap nog betrek­kelijk is en aan verandering onderhevig. Zij is een voortdurende en progressieve poging om een verklaring te geven voor de vele geheime­nissen van de natuur. Het zou zinloos en zelfs antiwetenschappelijk zijn alle hedendaagse kennis af te wijzen, alleen omdat er nog steeds veel opgehelderd moet worden. Aan de andere kant is een wetenschap­pelijke verklaring altijd onderhevig aan herziening en verbetering. Dat wat de geleerden vandaag zeggen, kan morgen tegengesproken of aan­gevuld worden. Wat de theologische wetenschap betreft, zij is nood­zakelijkerwijs minder controleerbaar dan de zogenaamde natuurweten­schappen. Zij heeft betrekking op de geestelijke wereld en, waar het de bijbel betreft, gaat zij maar al te vaak uit van bij uitstek subjectieve filosofische en psychologische gegevens. Volgens Lüscher heeft de bij­belkritiek sinds 1850 meer dan 700 theorieën opgeleverd, die alle de hoogste wijsheid pretendeerden te zijn op het gebied van de weten­schap. Thans zijn 600 van deze theorieën achterhaald en prijsgegeven wegens grondiger en meer uitgebreide kennis.54 Wij zijn bereid ons te laten onderrichten door de menselijke wetenschap, maar niet met geslo­ten ogen. ‘Toetst alles en behoudt het goede’ (1 Thess. 5:21). We beweren niet dat we in staat zijn alles te verklaren; en we willen ook volstrekt niet een rationalistische grondslag voor ons geloof zoeken. Uitgaande van betrouwbare feiten, zal dat geloof gewekt en gevoed worden door een ‘betoon van geest en kracht’ (1 Cor. 2:4).

3. Uit het feit dat er variaties voorkomen in de verschillende manu­scripten, blijkt duidelijk dat er kopiisten zijn geweest die fouten hebben gemaakt.

Dit is waar en we zullen één van de volgende hoofdstukken daaraan wijden. Maar aangezien deze vergissingen niet meer dan ongeveer één duizendste gedeelte van de tekst raken, geloven we dat dit feit veel te onbeduidend is om ons geloof in de foutloosheid van het oorspronke­lijke manuscript te doen wankelen. (Voor deze laatste term, zie verder­op in dit hoofdstuk onder ‘De foutloosheid van het oorspronkelijke manuscript’).

4. De citaten uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament gaan vrij met de tekst om en lijken haar niet als onaantastbaar te beschouwen. Ook dit achten we de moeite waard om nader te beschouwen; wij deden het reeds in Deel III, hoofdstuk VI. Hier herinneren we nog alleen aan het feit, dat Christus en Zijn apostelen, die verantwoordelijk waren voor die citaten, telkens weer van hun volkomen vertrouwen in en onderwerping aan de Schrift blijk geven.

5. Als men beweert dat de bijbel foutloos is, ‘versteent’ men de bijbelse tekst. Dit is de uitdrukking die gebruikt wordt door J. K. S. Reid: ‘Het woord van God wordt zodoende versteend in een dood document’.55

S. van Mierlo vat wat hierover beweerd wordt als volgt samen:

‘De theologen die zich verzetten tegen de volledige inspiratie zeggen, dat het een grote vergissing is iets te geloven eenvoudigweg omdat het in de bijbel staat. Dit om twee redenen: 1) Er staan zonder enige twijfel geschiedkundige en wetenschappelijke fouten in de bijbel en men loopt dus voortdurend het risico in conflict te komen met de wetenschap. 2) Een bijbel zonder fouten zou als een afgod zijn die een onaanvaard­baar gezag uitoefent over ons verstand. We zouden dan het onderwijs van de Schriften op een mechanische manier als waar aanvaarden, zonder een persoonlijk geloof in de Here Jezus Christus, die de belichaming is van de ware goddelijke openbaring. De bijbel zou op deze manier slechts een verzameling van leerstukken zijn, dus een dode ‘brief’. We zouden dan met een autoritaire godsdienst te doen hebben die zegt wat wij moeten geloven en welke leer men moet aanvaarden zonder een persoonlijke ervaring te beleven’.56

Een dergelijke redenering lijkt ons onhoudbaar. Waarom zou de bij­belse tekst versteend zijn alleen omdat bij meer goddelijke waarheden bevat en minder menselijke vergissingen? God heeft Zijn profeten ‘levende woorden’ voor ons gegeven. (Hand. 7:38). Het geschreven woord is het woord van de Heilige Geest (Hebr. 3:7) en het is altijd levend en krachtig (4:12). Het is een overvloedige bron van leven, juist omdat het tegelijkertijd goddelijk en menselijk is.

6. De leer van de foutloosheid zou het functioneren van het geloof in de weg staan. ‘De oude protestantse doctrine van de woorde­lijke inspiratie verandert het levende Woord van God in een heilige tekst; de ontkenning van het menselijk karakter van de Schrift die hieruit voortvloeit miskent niet alleen de mogelijkheid van vergissingen, maar ook de echtheid van het geloof’.57 We hebben al genoeg gespro­ken over de menselijke kant van de Schrift en de rol die de persoonlijk­heid van de schrijvers daarin heeft gespeeld. Kan echt geloof werkelijk pas functioneren vanaf het ogenblik waarop men erkent dat er geen fouten in de bijbel voorkomen?58

Bovenstaande argumenten geven blijk van een volkomen miskenning van de rol die de Heilige Geest speelt in de verlichting en de weder­geboorte van de lezer. De geïnspireerde tekst wordt pas dán begrijpelijk voor ons, als we door het geloof de Heiland ontvangen die hij ons openbaart, en als we door dat geloof wedergeboren worden door de Heilige Geest. Voor de lezers van de Schrift ligt er ‘een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot den Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen ... Waar de Geest des Heren is, is vrijheid’ (2 Cor. 3:15-17).

Bovendien, wie is die Christus - de ‘belichaming van de enige ware goddelijke openbaring’ die een volledig geïnspireerde tekst ons zou beletten te kennen - anders dan een Christus die de lezer slechts uit persoonlijke ervaring kent en die dus voor iedere lezer, groot theoloog of niet, weer verschillend is?

Onzerzijds zouden wij graag, met Warfield, grote nadruk willen leggen op het volgende. Net zoals bij alle andere leerstukken het geval is, is ons geloof in de woordelijke inspiratie gebaseerd op wat de Schrift daar zelf over zegt. We vragen niet: wat leren de geloofsbelijdenissen? Wat zeggen de theologen? Wat is de mening van het kerkelijk gezag? Maar: wat leert de bijbel zelf? We steunen dus volkomen op een exegetische handeling, namelijk op een gedetailleerde en eerbiedige studie van de tekst zelf. Indien de kritiek, door haar vondsten, de leer van de volledige inspiratie onhoudbaar zou hebben gemaakt, dan zou­den we niet gedwongen zijn alleen maar een bepaalde theorie inzake de inspiratie prijs te geven, maar we zouden de apostelen en de Here Zelf, wier duidelijke leer dit is, verzaken als onze leermeesters in de leer en in de exegese.59

Dit zou niets minder betekenen, dan het prijsgeven van de geloofs­houding, waarin we met Gods hulp willen volharden.

Sommigen aarzelen niet tegen ons te zeggen: ‘Als men zozeer de nadruk legt op de noodzaak van een volkomen geïnspireerde tekst, zonder welke men nergens zeker van zou zijn, zwicht men dan niet voor een eenvoudige psycho-pathologische behoefte aan veiligheid’? Ook hier zouden we willen antwoorden, dat men de waarden niet moet omkeren. De mens, die zich van nature in de duisternis bevindt, verlangt ernaar geleid te worden op de weg van het licht en de waarheid, net zo goed als hij niet zou kunnen leven zonder een aardse en een eeuwige hoop. Deze behoefte zou niet genoeg zijn om er de leer waarmee we ons bezig houden op te baseren, maar God die een dergelijk verlangen in ons heeft gelegd, geeft daaraan gehoor door ons een volmaakte open­baring van Zijn persoon te geven aangepast aan onze huidige situatie. Het is uiteraard mogelijk, dat het Hem behaagt iemand tot Christus te bekeren door een getuigenis dat op zichzelf onvolmaakt is, zoals een mondeling getuigenis, of een schriftelijk getuigenis, bijvoorbeeld een traktaat. Maar deze getuigenissen, die zo beperkt zijn, zouden niet genoeg zijn om ‘de hele raad van God te verkondigen’. De Here Zelf heeft de boodschap van het heil onverbrekelijk verbonden aan een geschreven openbaring die het vertrouwen waard is. Men loochent de boodschap, zodra men die openbaring verwerpt.

7. Het grootste bezwaar tegen de foutloosheid is het feit dat het de vrijheid van de critici beperkt. Dit bezwaar volgt duidelijk uit de hier­boven vermelde verklaringen. Men wil niet gebonden zijn door een heilige tekst, een verzameling leerstukken, of door een paternalistische en autoritaire godsdienst. Een bijbel zonder fouten zou een ontoelaat­baar gezag over ons verstand uitoefenen. Professor Brunner heeft ge­zegd: ‘De fundamentalist is de slaaf van de bijbelse tekst ... Dit maakt de bijbel tot een afgod en mij tot zijn slaaf’.60

Natuurlijk, als iedereen zich het recht zou toeëigenen om elke wille­keurige tekst ‘fout’, ‘tegenstrijdig’, ‘legendarisch’ of ‘mythologisch’ te verklaren, zou hij een onbeperkte vrijheid genieten ten opzichte van de bijbelse tekst. Als niemand kan verzekeren, dat een bepaald schrift­gedeelte de waarheid uitdrukt, dan wordt het criterium voor de evalua­tie nog persoonlijker en subjectiever. Tenslotte zullen het ‘godsdienstige geweten’ van de individuele persoon en zijn verstand eenvoudigweg het gezag van de goddelijke openbaring totaal hebben verdrongen. De ervaring heeft geleerd dat het geweten en het verstand niet spoedig capituleren voor het gezag van de goddelijke openbaring.

Wat het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest betreft, het is duidelijk dat het de lijn volgt van de waarheid, die Hij Zelf reeds geopenbaard heeft.

8. De papieren paus. Men hoort vaak zeggen: Luther heeft het chris­tendom bevrijd van de paus van Rome, en de orthodoxe protestanten hebben hem vervangen door een ‘papieren paus’. Wij geloven niet in een onfeilbare kerk; en jullie willen ons een onfeilbare Schrift opleggen. Alleen Jezus Christus is onfeilbaar en alleen Hem komt dit hoogste gezag toe. De protestanten hebben de bijbel in de plaats van Christus gesteld en dit is één van hun grootste zwakheden.61

Dit zijn niets dan drogredenen. Luther en de andere evangelische gelovigen hebben niet iets verzonnen. Zij zijn eenvoudig teruggekeerd tot de schriftuurlijke houding van Christus en Zijn apostelen (zie Deel IV, hoofdstuk I, paragraaf III en hoofdstuk II) die zich onvoorwaar­delijk onderwierpen aan de volledig geïnspireerde Schrift.

Maar deze kwestie van gezag is buitengewoon belangrijk en wij zullen er straks op terugkomen. Laten we hier opmerken dat het geestelijk gezag slechts drie vormen kan hebben:

het gezag van de Here en van Zijn geschreven openbaring;

het gezag van de kerk en van haar onfeilbare paus;

het gezag van het menselijk verstand, dat zich eveneens soeverein verklaart.

Hebben de hervormers werkelijk Christus vervangen door de bijbel? Integendeel, men kan Christus slechts kennen door de bijbel. Nadat ze aan de wereld een geopende bijbel hadden teruggegeven, hebben ze op krachtdadige wijze het evangelie van genade in Jezus Christus gepre­dikt. Edward J. Young merkt hieromtrent nog het volgende op: ‘Zij die zo bang zijn voor een papieren paus, voor een onfeilbare bijbel, hebben zelf ook een ‘onfeilbare’ autoriteit ... het menselijk verstand. Is de Christus van de moderne theologen (het ‘enige Woord van God’) de eeuwige Zone Gods, de tweede Persoon van de Heilige Drieëenheid, die voor onze redding zelf mens werd, zonder zonde, geboren uit de maagd Maria, gekruisigd voor de verzoening van onze zonden, licha­melijk herrezen uit de dood? In ieder geval niet voor Brunner, Niebuhr en Bultmann’.62

De enige manier waarop we de soevereiniteit van Christus kunnen eerbiedigen is door Hem te leren kennen in die unieke openbaring die we van Hem hebben, en door Zijn leer te gehoorzamen, evenals de leer van de profeten en de apostelen die Hij met heel Zijn gezag heeft bevestigd.

9. Het gevaar van de „bijbelverafgoding”. Degenen die geloven in een volledig geïnspireerde en foutloze bijbel, worden ook voortdurend van bijbelverafgoding beschuldigd. ‘De fundamentalist maakt de bijbel tot een afgod, wiens slaaf hij is’. Niets is in werkelijkheid meer onwaar voor oprechte evangelische christenen, wier enig verlangen is om de Heer die de bijbel openbaart te aanbidden en te verheerlijken. Het Boek is slechts Zijn woordvoerder, het instrument dat door de Heilige Geest gesmeed is om Hem aan ons bekend te maken.

We zullen nader op deze voor het soevereine gezag van de Heilige Schrift zo belangrijke kwestie ingaan in Deel V, hoofdst. 11, par. V, punt 3.

10. Gaf Paulus niet zelf toe dat hij niet altijd geïnspireerd was?

Hij schreef aan de Corinthiërs:

‘Hetgeen ik u schrijf is een gebod des Heren’ (1 Cor. 14:37);

‘Doch hun, die getrouwd zijn, beveel ik niet, maar de Here...’ (7:10);

‘Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here ...’ (v. 12);

‘... zo schrijf ik het in alle gemeenten voor...’ (v. 17);

‘Voor de jongedochters heb ik geen bevel van den Here. Maar ik geef mijn mening als iemand, die door de ontferming des Heren trouw is’. (v. 25).

Paulus behandelde hier een heel ernstig onderwerp betreffende een wijziging van de wet van Mozes inzake de echtscheiding. Het lijdt geen twijfel, dat hij wist dat hij volledig geïnspireerd was, toen hij durfde zeggen: ‘dit is een gebod des Heren’. Hij laat hier echter zien, dat, ofschoon sommige regels absoluut zijn, er bepaalde praktische gevallen zijn waarin God de mens laat beslissen volgens zijn geweten, zijn omstandigheden en zijn speciale gave (vv. 6-9, 36, 39). Paulus voelde zich vrij om vanuit zijn grote ervaring en speciale roeping, een gelovig advies te geven, dat ook ingegeven was door de Geest des Heren (v. 40). Er is niets verkeerds in wat hij zegt, niets wat inbreuk kan maken op de foutloosheid van de tekst.

11. Vermeldt de bijbel geen dingen die op zichzelf fout zijn? Zeer zeker, want hij haalt de woorden van de duivel aan, evenals uitspraken van de vijanden van God, en verhaalt zelfs de meest grove zonden van de gelovigen. Dit betekent vanzelfsprekend niet, dat de Here de verantwoordelijkheid voor deze dingen op Zich neemt. Het was echter Zijn bedoeling, dat zij heel nauwkeurig opgeschreven werden voor ons onderricht, onder leiding van de Heilige Geest.

12. Kan men inspiratie en foutloosheid toepasselijk achten op bij­zonderheden die werkelijk onbelangrijk zijn ? Paulus zegt tegen Timotheüs, dat hij voor zijn maag een beetje wijn moet drinken in plaats van alleen water (1 Tim. 5:23). Toen de op leeftijd gekomen apostel zich als gevangene in Rome bevond, vroeg hij of men hem vóór de winter de mantel die hij in Troas bij Carpus had achtergelaten zou kunnen brengen, evenals zijn boeken en vooral zijn perkamenten (2 Tim. 4:13). Rom. 16:1-16 is vol met uitdrukkingen van vriend­schap en persoonlijke genegenheid voor de personen die Paulus in Rome laat groeten. Sommige geleerden hebben ernstig beweerd, dat zulke onbelangrijke en zelfs alledaagse bijzonderheden de inspiratie niet waard waren. De Schrift heeft het er bepaald moeilijk mee ieder­een tevreden te stellen. Legt men andere keren niet hardnekkig de nadruk op haar menselijke karakter? Het komt ons voor, dat dergelijke schriftgedeelten nu juist de volmaakte natuurlijkheid van de bijbelse stijl tonen en tegelijkertijd tonen ze ook sporen van de persoonlijkheid, de genegenheden en de omstandigheden van de schrijvers. Dergelijke aanwijzingen bewijzen nu juist, dat de Schrift niet op een mechanische manier gedicteerd kan zijn.

Wat betreft 2 Tim. 4:13 willen we een belangwekkende opmerking van Erasmus vermelden: ‘Zie waaruit de bezittingen van de apostel bestonden: een mantel om hem tegen de regen te beschermen en een paar boeken’. En de volgende opmerking van Hugo de Groot: ‘Merk op hoe arm de grote apostel was die iets dat zo weinig waarde had en dat zo ver weg was als een persoonlijk verlies beschouwde’.63

We zouden nog andere bezwaren tegen de foutloosheid van de Schrift kunnen vinden, maar zij zouden slechts in een andere vorm dezelfde principiële tegenwerpingen tegen het gezag van de bijbelse openbaring herhalen. Laten we nu liever een andere positieve en belangrijke kant van het onderwerp aan de orde stellen.

V. DE FOUTLOOSHEID VAN HET ORIGINELE MANUSCRIPT

1. God heeft er voor gezorgd, dat de boodschap zo op schrift werd gesteld dat zij getrouwelijk overeenkwam met de openbaring die Hij had gegeven. Wij geloven, dat het in overeenstemming is enerzijds met de Schrift en anderzijds met de aard en de eer van God, te stellen dat, toen God iedere bijbelschrijver inspireerde, Hij ervoor heeft gezorgd dat zijn oorspronkelijk manuscript bewaard bleef voor fouten. Wat zou het baten te zeggen dat het God was die sprak, als de schriftelijke uitdrukking van dat woord niet getrouw weergaf wat Hij had gezegd? We hebben reeds gezien in hoe verre een dergelijke bewering een essentieel onderdeel uitmaakt van het begrip inspiratie (vgl. deel III hoofdstuk III onder I. ‘Definitie’. Als de bijbel de pretentie voert in zijn geheel het woord van God te zijn, dan is het bepaald nodig dat hij het ook tot in alle onderdelen is; anders zouden de schrijvers of zelf misleid zijn geweest, of ze zouden ons hebben misleid.

2. Het is aan de andere kant duidelijk, dat in geen enkel geval het originele manuscript bewaard is gebleven. Onze hoofdstukken over de overdracht van de tekst en de varianten en moeilijkheden in de bijbel maken duidelijk in welke toestand de tekst, zoals wij die nu hebben, verkeert, een tekst die men moeilijk volkomen foutloos kan noemen. Emil Brunner zegt dat het fundamentalisme, geconfronteerd met alle tegenstrijdigheden en inconsequenties die de critici hadden ontdekt, wel zijn toevlucht moest nemen tot een ‘onfeilbare originele tekst, waarvan slechts twee dingen bekend zijn: ten eerste dat het ‘t onfeilbare woord van God is; en ten tweede, dat het dezelfde bijbel is als die wij vandaag bezitten, ofschoon zeer daarvan verschillend’. Brunner wijst dat van de hand als ‘apologetische gekunsteldheden’. Het spreekt vanzelf dat zijn weergave van de feiten erg verdraaid is, zoals we hieronder zullen zien.

3. Waarom is het belangrijk dat het originele manuscript zelf zonder fouten was? Zouden we er zelfs niet buiten kunnen te weten hoe de originele tekst was, aangezien God ons toch niet heeft vergund er over te beschikken? De geleerden kunnen terugvallen op de Hebreeuwse of de Griekse tekst, zoals de kopiisten ons die hebben overgebracht. Maar de gewone lezer moet zich tevreden stellen met een vertaling in zijn eigen taal, die noodzakelijkerwijs onvolmaakt is en die nog verder verwijderd is van het origineel. Als God hem niettemin zegent door dit middel, waarom zouden we dan verdere eisen moeten stellen?

In de eerste plaats geloven wij, dat de waarachtigheid Gods op het spel staat, evenals Zijn macht om Zich te openbaren - niet slechts aan één persoon, maar aan de gehele mensheid. Als God vanaf het begin fouten zou hebben toegelaten in Zijn boodschap, wat zouden wij dan van Hem moeten denken? (Het overbrengen van deze geschreven boodschap tot aan vandaag, is een ander probleem, dat we graag zullen behandelen in hoofdstuk XII van deel III. Dit alles brengt ons telkens terug tot dezelfde vraag: Als het originele manuscript reeds fouten bevatte, wie kan dan zeggen in welke mate er fouten in voor­kwamen en hoe we de fouten ontdekken moeten? We zouden in de grootst mogelijke onzekerheid verkeren.

In de tweede plaats is het duidelijk, dat de taak van de schrijver van de oorspronkelijke tekst oneindig veel moeilijker en beslissender was dan het werk van de kopiisten en de vertalers na hem. Laten we net als Louis Gaussen bezien waarin de oorspronkelijke tekst zich onder­scheidt van de vertalingen die er in de loop der eeuwen van gemaakt zijn.

1). De bijbelschrijver moet een menselijke vorm geven aan de godde­lijke boodschap, een werk zó mysterieus en delicaat en blootgesteld aan vergissingen als er ooit een was, een werk waarvoor de volledige bijstand van de Geest nodig was. Omdat de gedachten van de Here als het ware belichaamd zijn in menselijke taal, gaat het bij het vertalen van deze gedachten er niet meer om ze een lichaam te geven, maar slechts om ze van kleding te verwisselen; om ze in onze eigen taal te doen zeggen, wat in het Hebreeuws en in het Grieks was gezegd -dat wil zeggen, om elk woord op een eenvoudige manier te vervangen door een gelijkwaardige uitdrukking. De uitvoering van deze taak is vergelijkenderwijs meer ondergeschikt dan de voorafgaande.

2). De schrijver van de oorspronkelijke tekst zou zonder volledige inspiratie veel meer gevaar hebben gelopen om vergissingen te maken dan de vertalers. Het vertaalwerk werd gedaan door een groot aantal mensen van allerlei verschillende talen en landen, die er al hun tijd en zorgen aan konden besteden en die elkaar door de eeuwen heen controleerden, onderrichtten en verbeterden. De oorspronkelijke tekst daarentegen, moest op een gegeven ogenblik eens en voor altijd door één enkel mens geschreven worden. Deze man werd door niemand anders bijgestaan dan alleen door zijn God om hem in het juiste spoor te houden en hem betere uitdrukkingen te verschaffen als hij zich ver­giste. Als God het niet had gedaan, dan had niemand anders het kunnen doen.

3). Terwijl alle vertalers van de bijbel ontwikkelde mensen waren, die zich gespecialiseerd hadden in de studie van de taal, waren de bijbel­schrijvers daarentegen vaak onontwikkelde mensen, weinig geoefend in het schrijven van hun eigen taal. Zij zouden zelf niet in staat zijn geweest de goddelijke openbaring op onberispelijke wijze op schrift te stellen.

4). De gedachte van God doordrong als een lichtflits de geest van de profeet. Die gedachte kan heden ten dage nergens anders meer terug­gevonden worden dan in de weergave die de profeet haar terstond al schrijvende gaf. Als hij het verkeerd had gezegd, waar zouden we dan de goddelijke boodschap in haar zuiverheid kunnen terugvinden? De fout zou onherstelbaar zijn, zij zou het eeuwige boek ontsierd heb­ben, zonder dat er iets aan gedaan zou kunnen worden. Voor de vertalingen ligt de zaak heel anders. Daar de grondtekst zoals wij die thans bezitten, de oorspronkelijke tekst bijzonder dicht nadert (zie het hoofdstuk over de varianten, Deel III, hoofdstuk XII), kunnen onze vertalingen daarvan onophoudelijk verbeterd en nog eens verbeterd worden, om deze zo veel mogelijk te doen overeenkomen met de oorspronkelijke tekst. Dit werk gaat voort van eeuw tot eeuw, en zo kan men vandaag, na 1500 jaar, nog steeds de Vulgaat van Hiëronymus herzien, of de vertaling van Luther na 450 jaar, of de Staten- en de Engelse vertaling na 350 jaar, of de vertaling van L. Segond na onge­veer een eeuw. Hoe belangrijk was het, dat de grondtekst zonder fouten was en dat zij ons wordt overgebracht met de grootst mogelijke zorgvuldigheid en getrouwheid.

Laten wij hieromtrent nog eens de gedachte van Gaussen weergeven. ‘De bijbelse tekst komt van God, of ze komt niet van God. Zo niet, al zou ik haar dan ook nog zo nauwkeurig overschrijven, daarmee zou ik haar niet geloofwaardig maken; en komt ze wel van God, al zou ik dan ook duizend onjuiste kopieën maken: dwaasheid noch ontrouw van mijn kant zouden het feit ongedaan kunnen maken dat ze door God gegeven is ... Als het boek der Maccabeeërs in de dagen van Jezus Christus uitsluitend een menselijk boek was, dan kunnen duizend uitspraken van de Rooms Katholieke Kerk niet bewerken, dat het in het jaar 1560 plotseling in een goddelijk boek verandert’.64

5). Als de grondtekst foutief was, zou de stroom van daaruit voort­vloeiende mogelijke fouten steeds groter worden. Als zij foutloos is, zal daarentegen de mogelijkheid van fouten in de kopieën en in de vertalingen voortdurend kleiner worden. De minutieuze studie van de talloze exemplaren van de Schrift die wij bezitten, de ontdekking van nieuwe manuscripten, zoals die van Sinaï, de Dode Zee, en nog oudere, de vooruitgang van de exegese en van de taalwetenschap, de voort­durende herziening van de vertalingen, dat alles heeft bijzonder veel bijgedragen tot het bevestigen van de grondtekst en tot het verwijderen van fouten die in de loop der eeuwen gemaakt zijn bij het kopiëren en bij het vertalen. Nogmaals, een dergelijke vooruitgang veronderstelt, dat een betrouwbaar oorspronkelijk manuscript de bron is waaruit al het andere is voortgekomen, hoever de tijd waarin we leven ook van die bron verwijderd mag zijn.

L. Gaussen besluit als volgt: ‘Wie zal, in het licht van al deze overwe­gingen, nu niet inzien welk een enorme afstand het gezag van de woordelijke inspiratie schept tussen de grondtekst van de bijbel en de tekst van de vertalingen. Tussen het omzetten van de gedachten van God in menselijke woorden en het eenvoudig vertalen van deze woor­den in andere woorden, ligt een afstand als die tussen hemel en aarde. Voor het ene werk was Inspiratie nodig, voor het andere was kennis genoeg. Laat men daarom niet langer meer zeggen: ‘Wat zou woorde­lijke inspiratie van het oorspronkelijke manuscript ons baten, als we die inspiratie niet zouden hebben bij de daarna volgende vertaling? Want het verschil tussen beiden, al willen sommigen ze op één lijn stellen, is vrijwel oneindig groot’.65

Luisteren we nu nog naar een zeer recente uitlating, nl. die van Dr. J. I. Packer. ‘Er wordt soms gesuggereerd, dat we niet zeker kunnen zijn dat enige tekst, welke ook, die wij bezitten ons de ware betekenis van het geïnspireerde woord overbrengt ... Maar het geloof in Gods trouw rechtvaardigt het vertrouwen, dat de tekst voldoende zeker is om ons niet op een dwaalspoor te brengen. Als God ons de Schriften heeft gegeven met een praktisch doel - om de mensen tot het heil te brengen door geloof in Jezus Christus - dan kunnen we hier uit afleiden, dat Hij de tekst nooit zo verminkt zal laten worden dat zij niet meer aan dat doel zal kunnen beantwoorden. Het is opmerkelijk, dat de mensen uit het Nieuwe Testament niet aarzelden te vertrouwen op de woorden van het Oude Testament zoals ze dat bezaten, als een betrouwbare openbaring van de gedachten van God. Deze betoning van geloof in de toereikendheid van de tekst wordt volledig bevestigd door het eenstemmig oordeel van de geleerden in de tekstkritiek, dat de tekst van de bijbel uitstekend bewaard is gebleven; en geen enkel punt van de leer wordt verduisterd door ook maar een van de weinige gevallen waar de juiste lezing twijfelachtig blijft. Professor F. F. Bruce vat de mening van de geleerden, zowel als van de bijbelse gelovigen, in het kort samen als hij schrijft. ‘Door de bijzondere zorg en voor­zienigheid van God (Confessie van Westminster) heeft de bijbelse tekst ons bereikt in zo’n essentieel zuivere vorm dat zelfs de meest on­kritische uitgave van het Hebreeuws of het Grieks ... de ware bood­schap van de bijbel niet wezenlijk kan verduisteren of haar reddende kracht kan neutraliseren’.66

4. Waarom liet God niet toe dat het originele manuscript voor ons bewaard bleef? Was het misschien om ons ervoor te bewaren er een afgod van te maken? De christenen in Rome bijvoorbeeld, die het voorrecht hadden over de eigenhandig door Paulus geschreven brief te beschikken, baseerden hun geloof rechtstreeks op de geïnspireerde boodschap (net als dat vandaag van ons wordt gevraagd). Maar later, toen dit geloof minder levend werd, zou men dan niet in de verleiding zijn gekomen om van het stoffelijke document dat uit Paulus’ handen was gekomen een soort relikwie te maken of zelfs een voorwerp van afgodische verering? Het voorbeeld van de koperen slang, die een voor­werp van verering werd, en die tenslotte door Hizkia stukgeslagen werd, geeft ons aanleiding in deze richting te denken. (Num. 21:8-9; 2 Kon. 18:4). Aangezien wij niet de originele manuscripten bezitten, zijn we er des te meer op aangewezen de bestaande documenten te bestuderen, ze te vergelijken en ze steeds dichter te doen naderen tot de grondtekst, waarvan wij ondanks alles niet zo ver verwijderd zijn. Omdat we gegrepen zijn door de krachtige boodschap van de Schrift, en omdat we overweldigd zijn door de openbaring daarin van de levende God, kunnen we niets anders doen dan aan de Schrift de volle instemming van ons geloof geven. Wij kunnen een dergelijke houding aannemen, ook al zijn we nog niet in staat om het weinige dat nog duister voor ons is, uit te leggen, te bewijzen en in te passen in het geheel. Wij moeten trouwens op dezelfde manier alle belangrijke bijbelse leerstellingen aanvaarden:

De Drieëenheid: God geopenbaard in drie personen;
de vleeswording: Jezus Christus tegelijk God en mens;
de zondeval: de mens die niet in staat is het goede te doen en toch verantwoordelijk is;
de rechtvaardiging: de gelovige die een zondaar is en tegelijkertijd gerechtvaardigd;
de predestinatie: de eeuwige uitverkiezing en de vrijheid van de mens;
de opstanding: een nieuw lichaam dat tegelijkertijd geestelijk zal zijn;
het eeuwig verderf: hoe moeten we dit rijmen met de liefde van God?

We aanvaarden al deze dingen door het geloof in de Schrift, door­drongen als wij zijn van haar getuigenis van de waarheid, ook al kun­nen we niet ieder detail daarvan verklaren. Door het geloof kunnen wij dus ook de leer van de inspiratie en de foutloosheid aanvaarden: het Boek dat volledig van God komt en tegelijkertijd van de mens, dat bewaard is gebleven voor vergissingen, teneinde ons met zekerheid de waarheid te openbaren. Dit wil volstrekt niet zeggen, dat het geloof in de foutloosheid ons ertoe drijft de houding aan te nemen van een domper die weigert de duidelijke problemen te zien en die het licht van de echte wetenschap vreest. Het geloof in het evangelie weet te onderscheiden tussen positieve en negatieve kritiek. Het beijvert zich alle dingen te onderzoeken en het goede te behouden. Daarentegen lijkt het ons bepaald onwetenschappelijk het eigen getuigenis van Christus inzake de integriteit van de Schrift, evenals dat van de apostelen en van een groot aantal feiten domweg af te wijzen. Wij zullen nu in het kort trachten enkele problemen te behandelen, die hierop betrekking hebben.


HOOFDSTUK X



Dostları ilə paylaş:
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə