Inspiratie en het gezag van de Bijbel



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə16/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   24

De verlichting


I. DEFINITIE EN ALGEMENE OPMERKINGEN.

We hebben tot nu toe gezien hoe de bijbeltekst die we nu hebben, geïnspireerd, geschreven en bijeengevoegd, en vervolgens tot in onze tijd en aan een ieder van ons werd overgebracht. Maar om ze werkelijk voor ons toegankelijk te maken, is er nog een rechtstreekse tussenkomst van boven nodig: de verlichting. Hiermee bedoelen we de bovennatuur­lijke hulp die de Heilige Geest de lezer van de heilige Schrift verleent om hem in staat te stellen de goddelijke boodschap ervan te begrijpen. Een boek geïnspireerd door de Geest kan niet verstaan worden dan door de tussenkomst van de Geest.

Wat is het verschil tussen inspiratie en verlichting? We hebben gezien dat inspiratie de op de bijbelschrijvers uitgeoefende beslissende invloed is, die hen ertoe aanzette de openbaring die zij van God ontvingen bekend te maken en op schrift te stellen.

Verlichting, daarentegen, wordt het kind van God in beginsel verleend zodra zijn nieuwe geboorte hem in staat stelt het koninkrijk Gods te zien (Joh. 3:3). De Here belooft zelfs, dat Hij elk oprecht mens zal verlichten die Hem al tastende zoekt: ‘Voor de oprechten gaat het licht in de duisternis op’ (Ps. 112:4).

Verlichting is gewoonlijk blijvend en neemt toe. Vanaf het ogenblik waarop de gelovige zich onderwerpt aan de Geest van God, wijst de Geest hem de weg tot de volle waarheid (Joh. 16:13). Wanneer een hart zich bekeert tot de Here, neemt Hij de bedekking weg die het lezen van het Oude Testament verduistert (en Hij doet hetzelfde ten opzichte van het Nieuwe Testament, 2 Cor. 3:14-16). Naarmate wij volharden in het overdenken en het in praktijk brengen van het Woord van God zal ons inzicht en ons begrip toenemen: ‘Het openen van Uw woorden verspreidt licht; het geeft den onverstandigen inzicht. Hoe lief heb ik Uw wet! ... Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden; ... Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters, want Uw getuigenissen zijn mij tot overdenking. Ik heb meer inzicht dan de ouden. Uit Uw beve­len heb ik inzicht ontvangen’ (Ps. 119:130, 97-100, 104).

De verlichting betreffende een Schriftwoord kan voor een toekomstige tijd worden toegezegd: ‘Deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd ... de verstandigen zullen het verstaan’ (Dan. 12:9-10). Iemand kan ook een goddelijke boodschap horen of lezen en die pas begrijpen, nadat hij nieuwe geestelijke ervaringen heeft doorgemaakt. Nadat Johannes de profetieën van Ps. 118:26 en Zacharias 9:9 heeft aangehaald, voegt hij eraan toe: ‘Dit begrepen zijn disci­pelen aanvankelijk niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, toen her­innerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden’. (Joh. 12:16).

Zolang wij wandelen in geloof en niet in aanschouwen, zullen wij telkens meer licht nodig hebben. Voor het ogenblik kennen wij slechts ten dele - spoedig zullen wij ten volle kennen, zoals wij zelf gekend zijn (1 Cor. 13:12). Het feit dat er verschillende graden van ver­lichting zijn, verklaart de verschillen van inzicht die christenen soms over betrekkelijk ondergeschikte punten hebben. Gelukkig is deze belofte tot allen gericht: ‘Indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!’ (Fil. 3:15-16).

Alleen in Christus kunnen we blijvende inspiratie en volmaakte ver­lichting vinden.

II. HET INNERLIJK GETUIGENIS VAN DE HEILIGE GEEST.

De Hervormers, die zonder voorbehoud de volledige inspiratie van de Schrift beleden (zie Deel IV, Hoofdstuk III, paragraaf II), leggen telkens de nadruk op de onmisbare rol van de Heilige Geest in verband hiermee.

Dit innerlijk getuigenis is werkzaam in tweeërlei opzicht: als hulp om te geloven, doordat het een overtuiging teweeg brengt inzake de aard, de waarde en het gezag van de Schrift, en als hulp om te begrijpen, door de verlichting die inzicht geeft in de betekenis van de tekst.

Luther zei: ‘De bijbel kan niet door studie en talent begrepen worden, u dient alleen te rekenen op de invloed van de Heilige Geest’.

Zwingli stelde het als volgt: ‘Ook al ontvangt u het Evangelie van Jezus Christus rechtstreeks van een apostel, u kunt er niet naar han­delen als uw hemelse Vader u niet onderricht en u niet door Zijn Geest tot Hem trekt ...’

Calvijn schreef: ‘Het getuigenis van de Geest is hoger dan het verstand. Want, ... deze woorden zullen de harten van de mensen pas dan volledig rust geven, als zij geleid worden door het innerlijk getui­genis van de Geest ... De Schrift, die haar geloofwaardigheid in zich­zelf heeft, mag niet onderworpen worden aan bewijsvoering en redene­ring, maar zij dankt de volle zekerheid waarmee wij haar behoren te ontvangen aan het getuigenis van de Geest. Want ofschoon zij aan haar eigen luister genoeg heeft om onze eerbied op te wekken, begint zij niettemin ons pas dan te treffen, als zij in onze harten bezegeld is door de Heilige Geest. Als we door Hem verlicht zijn, geloven we niet langer op grond van ons eigen oordeel, of dat van anderen, dat de Schrift van God komt; maar op een manier die het menselijk oordeel te boven gaat, hebben we volkomen zekerheid ... dat we haar uit Gods eigen mond hebben ontvangen. We vragen niet om bewijzen of waarschijnlijkheden waarop we ons oordeel kunnen doen berusten, maar we onderwerpen er ons verstand en oordeel aan, omdat zij voor ons te voortreffelijk is om te beoordelen.126

‘Mozes en de profeten ... getuigden vrijmoedig en zonder enige vrees van wat werkelijk waar was, dat de mond des Heren had gesproken. Dezelfde Geest ... getuigt ook nu in onze harten, dat Hij hen heeft gebruikt als Zijn dienstknechten om ons te onderrichten. Daarom hoe­ven we ons er ook niet over te verwonderen als er velen twijfelen bij de vraag wie Auteur van de bijbel is, want ofschoon Gods majesteit er zich in openbaart, hebben slechts zij die verlicht zijn door de Hei­lige Geest ogen om te zien wat iedereen feitelijk zou moeten zien en dat toch slechts zichtbaar is voor de uitverkorenen.127

Het is inderdaad het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest dat in onze harten en in ons verstand (vgl. Rom. 8:16) kracht en leven geeft aan de geïnspireerde woorden, die tot nog toe wellicht onpersoon­lijk en zonder uitwerking bleven. Paulus kan van zijn eigen prediking zeggen: ‘Dat gij ... , verkoren zijt, weten wij, omdat onze evangelie­prediking niet slechts in woorden tot u gekomen is, maar ook in kracht en in de Heilige Geest en in grote volheid’ (1 Thess. 1:4-5). ‘Mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God’ (1 Cor. 2:4-5). Hetzelfde kan gezegd worden van de Schrift; zij is in objectieve zin de waarheid, het Woord van God Zelf; maar we hebben het innerlijk getuigenis en de kracht van de Geest nodig om ons geloof erop te vestigen.

Zodoende overtuigt God ons van de goddelijke inspiratie van de Schrift. Hij wekt in ons een innerlijke, rechtstreekse overtuiging, die zich zelf bewijst. De ongelovige, zelfs iemand die ‘godsdienstig’ is, maar die niet is wedergeboren, kan zoiets niet begrijpen. Iemand die niet muzikaal is begrijpt niets van muziek, iemand die in het geheel geen literair gevoel heeft kan geen gedichten waarderen. Op overeenkom­stige wijze is het voor de natuurlijke mens, die niet uit de Geest geboren is, des te meer onmogelijk de ware natuur van de Schrift te vatten. Hij kan Hebreeuws, Grieks, grammatica, geschiedenis van de oudheid, van de godsdiensten enz. begrijpen; alles wat te maken heeft met de ‘letter’, het lichaam van de Schrift. Maar wat bovenal nodig is, is de Geest, en het goddelijke leven dat Hij alleen mededeelt. Daarom kan het wezenlijke van de Schrift alleen begrepen worden door de geestelijke mens ook al heeft hij, menselijkerwijs gesproken, niet veel onderwijs genoten. Heeft de Here deze dingen niet voor wijzen en verstandigen verborgen gehouden om ze aan kinderen te openbaren? (Luc. 10:21). Zalig, in deze zin, zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. (Matth. 5:3)!

Zelfs de moeilijkheden van de tekst, de schijnbare tegenstrijdigheden, de argumenten van de critici, brengen ons niet af van deze houding van vertrouwen en gehoorzaamheid. Hij die God werkelijk in de bijbel heeft ontmoet, op iedere bladzijde daarvan, kan alleen maar herhalen wat de blindgeborene zei: ‘Een ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan’ (Joh. 9:25).

We kunnen daarom met zekerheid getuigen, dat de Here Zich tot ons richt. Dezelfde Geest die de eerste kerk overtuigde van de authenticiteit van de heilige boeken, overtuigt de gelovige vandaag. Ons geloof is niet gebaseerd op menselijke getuigenissen, ofschoon we daar eerbied en waardering voor kunnen hebben. De apostel Paulus maakt immers een duidelijk onderscheid tussen het getuigenis van de Heilige Geest en dat van onze eigen geest (Rom. 8:16). Met de heiligen van alle eeuwen horen we de stem van de goede Herder en zullen we geen vreemdeling volgen. De schapen zullen duidelijk de stem van de Zoon van God en het onderricht van de Heilige Geest herkennen.

Het is riet alleen waar, dat de bijbel geïnspireerd was; zij is nog steeds geïnspireerd, want de Heilige Geest handhaaft Zijn levende eenheid met de Schrift. Als we lezen: ‘Alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt’ (Jes. 55:1) of ‘Komt tot Mij, allen, die ver­moeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Matth. 11:28), is het nog steeds de Heilige Geest die deze woorden ons toefluistert. Hij maakt de Bijbelse tekst tot een levend Woord. Wij kunnen er Zijn adem in voelen, zoals dat in geen enkel ander boek het geval is. Dank zij Hem, zijn deze dingen die geschreven zijn Geest en leven; de mens leeft door deze woorden; het zijn woorden die nu uit Gods mond komen.

Iedereen die dit ervaren heeft kan niet twijfelen aan de bovennatuur­lijke oorsprong van de bijbel, want naar gelang van zijn vermogen ontvangt hij het Woord rechtstreeks van God Zelf, evenals David, Jesaja, Paulus en Johannes. Het is voor hem een woord van God. Hij weet, dat, als hij aan het onderwijs van de Schrift gehoorzaamt, hij zijn hemelse Vader gehoorzaamt. Rekenend op de beloften van de Schrift is hij er zeker van, dat hij zijn vertrouwen stelt op de Here Zijn God, zijn Verlosser. En als in het stervensuur zijn hart zich vastklampt aan de bestendige hoop die ons in het woord van God wordt geboden, dan is het de stem van de Heiland Zelf die tot hem spreekt ‘Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd’ (Matth. 14:27).128

Aangezien de hele Schrift ‘theopneustisch’ is, uitgeademd uit de mond van God, blijft zij dit steeds op een levende en krachtige wijze. Door het getuigenis dat de Geest van Zichzelf geeft, gaat er kracht uit van de woorden van de bijbel en leggen zij beslag op onze harten. Luther riep uit: ‘Het hart betuigt: dit is de waarheid ook al moet ik er duizend doden voor sterven!’ E. Sauer besluit in dezelfde geest: ‘Daarom is de bijbel steeds een levend boek ... Hier is niet maar sprake van ‘er was eens’, maar van nu; niet van gisteren, maar van vandaag. Het gaat niet uitsluitend om het hiernamaals, maar om het grote belang dat God stelt in het tegenwoordige leven. Wij hebben niet alleen een geschreven woord, maar een geestelijk en levend woord; niet slechts letters op papier, maar de Geest die telkens opnieuw tot ons hart spreekt. Zo bezit de Heilige Schrift op onvergelijkelijke wijze iets van het karakter van de altijd aanwezige eeuwige God. De Geest van God heeft het geschreven woord niet alleen geïnspireerd en gegeven, maar Hij zet Zijn werk voort. Hij vergezelt dit Woord en Hij maakt het werkzaam. Hij maakt de eenvoudige tekst tot een brug die ons met de hemel verbindt. God komt nu door Zijn woord tot ons en het eeuwenoude woord blijft fris en eeuwig jong. Het is alsof het gisteren geschreven werd, alsof de inkt nog niet droog is, het veroudert nooit, het is altijd tegenwoordig en het gaat de tijd te boven’.129

III. DE GRENZEN VAN DE VERLICHTING.

1. Het verwarren van inspiratie en verlichting leidt tot een ernstig gevaar, nl. te beweren, dat zij die de Schrift lezen over dezelfde boven­natuurlijke hulp beschikken als de schrijvers van de bijbel. Men komt er op deze manier spoedig toe hetzelfde gezag toe te kennen aan mensen als aan het Woord van God. Hier volgen twee voorbeelden, aangehaald door L. Gaussen.

De Joden meenden, dat hun rabbi’s en hun schriftgeleerden begiftigd waren met een gezag dat hen op een gelijk of zelfs hoger niveau plaatste dan Mozes en de profeten. Zij verboden de Schrift anders uit te leggen dan volgens hun overleveringen, zoals opgetekend in de Talmud (Mishna en Gemara).

De Roomse Kerk heeft evenzo aan de kerkvaders, aan de concilies en vooral aan de Paus, die volgens haar onfeilbaar is, een macht toe­gekend, die hen op hetzelfde niveau plaatst als Jezus, de profeten en de apostelen, of zelfs hoger. De Schrift mag alleen overeenkomstig hun gezaghebbend woord uitgelegd worden.130 Voor meer bijzonderheden, zie deel V, hoofdstuk II, par.V, 2, f).

Dit zijn slechts twee voorbeelden van degenen die gevaar lopen het Woord van God van kracht te beroven ter wille van hun traditie (Matth. 15:6). Laten we onszelf met alle ernst afvragen, of we in onze bepaalde kerk of in onze gedachtenwereld niet bezig zijn dezelfde ernstige fout te begaan.

2. De geestesrichting van de ‘llluminaten’ is geneigd de inspiratie door de ‘verlichting’ te verdringen. Zij beweren dat het door de Geest verleende innerlijk licht de Schrift gelukkigerwijs vervangt en ons van haar onafhankelijk maakt.

Calvijn maakt een toespeling op de ‘verlichten’, die de spot dreven met het vasthouden aan de ‘dode letter’ van de tekst door de eenvoudige gelovigen, en die het als ongerijmd beschouwden, dat de Geest van de almachtige God Zich aan de Schrift zou onderwerpen. Inderdaad ech­ter stemt de Geest, de Auteur van de boeken van de Heilige Schrift, eenvoudigweg en onveranderlijk met Zichzelf overeen. Nadat Hij de waarheid heeft verkondigd, gaat Hij gewoon door met in dezelfde zin te spreken. Door zijn voortgaande werking deelt het Woord ons Jezus Christus mede, bekeert het de zielen en voedt hen. Hoe zouden wij ons kunnen verwijderen van deze enige bron van zekere en controleerbare kennis? Jezus Christus Zelf, God in het vlees gekomen, heeft Zich volledig gehouden aan de Heilige Schrift. De apostelen en de christenen van de eerste kerk, die zo duidelijk geïnspireerd werden door de Geest, hebben voortdurend hetzelfde gedaan.

Tot wat voor vreemde afwijkingen zijn daarentegen vroeg of laat die­genen gekomen die meenden, dat zij zich konden bevrijden van de heilzame voogdij van de Schrift! Calvijn overdreef niet toen hij zei dat deze ‘opgeblazen fantasten ... al wat ze zich in hun slaap verbeelden even vermetel als onbezonnen aangrijpen’.131 Gaussen zegt over de ‘verlichte mystici’, die in feite rationalisten zijn: Zij ‘stellen hun hallu­cinaties, hun innerlijk woord, hun openbaringen en de Christus, die volgens hun zeggen in hen woont, boven de heilige tekst van de Schrift. Zij spreken minachtend over de letter, de letterlijke betekenis, de evan­gelische feiten, de mens Jezus, of de uitwendige Christus (zoals zij hem noemen), over het kruis van Golgotha, de prediking, de eredienst en de sacramenten. Zij staan boven deze vleselijke hulpmiddelen!’132

Velen houden er in onze dagen nog dezelfde mening op na. Toch doet men hiermee de Schrift geweld aan, aangezien het ons niet is toegestaan iets aan de Schrift toe te voegen of er iets van af te doen (Openb. 22:18-19). Deze mening is ook een belediging voor de Geest der waarheid, omdat zij het Boek veracht waarvan Hij de Auteur is, en hersenschim­men aan Hem toeschrijft die in strijd zijn met Zijn eigen openbaringen.

IV. GODS SOEVEREINITEIT IN HET VERLENEN VAN DE VERLICHTING.

De verlichting is niet iets automatisch. Het feit dat iemand de volledig geïnspireerde bijbel in zijn hand houdt, betekent volstrekt niet dat hij er heer en meester over is, en over het Woord van God naar believen kan beschikken. Als de Schrift, zoals wij geloven, objectief het Woord van God is, maakt God het niet zo maar voor iedereen en op wat voor wijze dan ook, begrijpelijk.

Jesaja zegt tot zijn volk: ‘Want de Here heeft een geest van diepe slaap over u uitgestort. Zo werd het gezicht van dit alles voor u als de woorden van een verzegeld boek, dat men aan iemand geeft, die lezen kan, terwijl men zegt: Lees dit eens; maar hij antwoordt: Ik kan niet, want het is verzegeld. Of het boek wordt gegeven aan iemand die niet lezen kan, terwijl men zegt: Lees dit eens; maar hij antwoordt: Ik kan niet lezen’. (Jes. 29:11, 12). Het is de wil van God dat de mensen Hem zullen zoeken en dat zij er zich toe zullen zetten Hem te vinden, door tastend naar Hem te zoeken, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons (Hand. 17:27). Het behaagt Hem Zich te openbaren aan hen die nederig en oprecht van hart zijn: ‘Gij hebt deze dingen verborgen voor wijzen en verstandigen, doch aan kinderkens geopenbaard. Nie­mand kent den Vader dan de Zoon en wien de Zoon het wil open­baren’ (Matth. 11:25, 27).

Toen Petrus zijn geloof in de Messias, de Zoon van de levende God beleed, zei Jezus tot Hem: ‘Vlees en bloed heeft u dat niet geopen­baard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is’ (Matth. 16:17).

Paulus beschreef de onverdiende verlichting, die hem redde uit de diepe duisternis, in de volgende woorden: ‘Toen het Hem..., die mij door Zijn genade geroepen heeft, behaagd had, Zijn Zoon in mij te openbaren, ... ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed’ (Gal. 1:15-16).

Hoe vaak zijn de oude geïnspireerde bladzijden niet plotseling voor ons gaan leven en hebben ze ons hier en nu geraakt door de geheimnis­volle inwerking van Gods soevereine genade.

V. DE VERLICHTING WORDT GEGEVEN IN ANTWOORD OP GELOOF.

‘Een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is (1 Cor. 2:14). God heeft deze dingen bereid voor degenen die Hem liefhebben en Hij openbaart ze aan hen door Zijn Geest. (vv. 9-10). Toen Petrus zich verliet op zijn eigen opvatting van het heil, maakte Christus hem een scherp verwijt: ‘Ga weg, achter Mij satan: gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen’ (Matth. 16:23).

Maar de schapen van de goede Herder horen Zijn stem, en kennen die (Joh. 10:3-4, 27). Nadat Jezus in gelijkenissen had gesproken, waar­van de betekenis voor de grote massa verborgen was, zei Hij tot zijn discipelen: ‘U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen die buiten staan komt alles in gelijkenissen, dat zij ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet verstaan, opdat zij zich niet bekeren, en hun vergeven worde’ (Marcus 4:11-12). ‘In vele dergelijke gelijkenissen sprak Hij het woord tot hen, naardat zij het konden horen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet, maar af­zonderlijk aan Zijn discipelen verklaarde Hij alles’ (vv. 33-34). Zoveel is duidelijk: Jezus verklaarde alles aan Zijn discipelen, maar Hij ver­hardde het hart van diegenen die hun oren vrijwillig hardhorend hadden gemaakt en die hun ogen hadden toegesloten, opdat zij niet ge­nezen zouden worden (Matth. 13:13-15). Daarom spreekt dezelfde bijbelse onderwijzing en dezelfde bladzijde uit de Schrift wel tot de één, maar heeft zij de ander niets te zeggen. Dit verklaart de op het eerste gezicht zo vreemde vermaning: ‘Wie oren heeft om te horen, die hore!’ (Luc. 14:35).

VI. DE VERLICHTING WORDT NIET EENS EN VOOR ALTIJD GEGEVEN.

Ofschoon het normaal is, dat een gelovige zijn hele leven lang verlicht wordt door de heilige Geest, hangt alles niettemin af van de mate waarin hij zich onderwerpt aan het licht dat hij reeds ontvangen heeft. De mens is van nature ontzettend traag om te geloven, en soms lijkt het of zijn kennis in het geheel niet vordert. Het was tot Zijn eigen discipelen dat Jezus, op een bijna scherpe toon, deze zeven vragen richtte: ‘Waarom spreekt gij erover ... ? Verstaat gij nog niet en begrijpt gij niet? Hebt gij een verhard hart? Hebt gij ogen en ziet gij niet; hebt gij oren en hoort gij niet? En herinnert gij u niet ... Begrijpt gij nog niet?’ (Marcus 8:17-21).

Toen Jezus duidelijk tot de twaalven over Zijn dood en opstanding sprak, ‘begrepen zij niets van deze dingen en bleef dit woord voor hen duister en wisten zij niet, waarvan gesproken werd’ (Luc. 18:34). Na de opstanding sprak Jezus weer de volgende woorden tot de disci­pelen die op weg waren naar Emmaüs: ‘O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!’ Daarna legde Hij hen met oneindig geduld uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had (Luc. 24:25, 27).

De gelovige die zichzelf toestaat ‘naar het vlees’ te wandelen in plaats van ‘naar de Geest’ (Rom. 8:4 ev.) kan steeds minder begrijpen. Hij plaatst zichzelf in de positie dat hij ‘melk’ nodig heeft, omdat hij niet langer ‘vast voedsel’ verdraagt. Hij heeft weer nodig dat men hem de allereerste beginselen van de uitspraken Gods leert, met terzijde lating van de diepe dingen die moeilijker zijn uit te leggen. Dit is de reden waarom onze kerken vaak kleuterscholen voor geestelijke kleu­ters zijn en geen trainingscentra voor volwassen mensen, voor leraren en soldaten van Jezus Christus (Hebr. 5:11-14).

Het is helaas heel goed mogelijk, dat een zogenaamd geestelijk leids­man hemelse verlichting mist. Paulus heeft het over degenen die leraars der wet willen zijn, maar niet beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken (1 Tim. 1:7). Jezus zei: ‘Laat hen gaan, blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen’ (Matth. 15:14).

VII. DE GODDELIJKE VERLICHTING VERLICHT ONS HART, ONZE GEEST EN ONS VERSTAND.

Niets is zo gevaarlijk als een zuiver theoretische en verstandelijke kennis. Die leidt de mens ertoe zich te verbeelden dat hij het weet; hij gelooft, dat hij alles heeft begrepen, dat hij bijna alles kent met het hart. Het is mogelijk, dat men een zekere kennis van de goddelijke wet heeft zonder dat dit een werkelijke verandering in het leven teweeg brengt. De mens wiens geweten wakker gemaakt is, wordt achtervolgd door zijn kennis van de Schrift, waartegen hij voortdurend zondigt: ‘Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik ... want naar den inwendigen mens ver­lustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet ... die mij krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens!’ (Rom. 7:19-24). Een dergelijke kennis, ofschoon ze op zichzelf nuttig is, is toch geheel ontoereikend, daar ze alleen tot wanhoop kan leiden.

Ook levende christenen, wier leer volkomen juist is, worden bedreigd door het gevaar van het rationalisme, dat geen plaats open laat voor waarachtig geloof. Hun orthodoxie kan dood zijn en hun geloof steriel. Dit is niet de uitwerking van de verlichting van de Heilige Geest. Hij doorstroomt elk deel van ons wezen met Zijn licht en met Zijn leven: ‘opdat Hij de ogen (uws) harten verlichte ...’ (Efz. 1:18)

‘Dat gij verjongd wordt door den geest van uw denken’ (4:23);

‘Dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om den Here waardig te wandelen’ (Col. 1:9-10);

‘opdat zij in de liefde verenigd worden tot allen rijkdom van een volledig inzicht, en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus’ (2:2);

‘hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt onder­kennen wat de wil van God is’ (Rom. 12:2).

‘Die Geest getuigt met onzen geest...’ (Rom. 8:16).

‘Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen’ (Luc. 24:45).

‘Lydia ... hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd’ (Hand 16:14).

De verlichting die beloofd wordt is niet alleen die van de bijbelse tekst, van de letter van de Schrift. Maar door de geïnspireerde boodschap brengt zij die ene openbaring die alle andere te boven gaat: de kennis van God. Jezus heeft gezegd: ‘Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en bij hem wonen ... Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren’ (Joh. 14:23, 21).

‘Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen ...

De zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk Zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is, ... blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft’. (1 Joh. 2:20-27). ‘Hij heeft ons inzicht gegeven om den Waar­achtige te kennen...’ (5:20).

Verder hebben de hele geschreven openbaring en de verlichting die daarmee gepaard gaat ten doel, ons gelijkvormig te maken aan de HEER. De bedekking die het lezen van het Oude Testament in de weg stond, is weggenomen in Christus. En nu weerspiegelen wij allen, met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren en veranderen wij ‘naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door den Here, die Geest is’. (2 Cor. 3:14-18).

VIII. WANNEER GOD WEIGERT DE VERLICHTING TE GEVEN IS DAT EEN TEKEN VAN OORDEEL VAN ZIJN KANT.

Jesaja drukte deze waarheid op een bijzonder duidelijke manier uit: ‘Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor - maar verstaat niet, en ziet aldoor - maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dicht kleven, ... zodat het zich niet bekere, en genezen worde’ (6:9-10).

Wij hebben al eerder de volgende tekst aangehaald: ‘Want de Here heeft een geest van diepen slaap over u uitgestort ... Zo werd het gezicht van dit alles voor u als de woorden van een verzegeld boek’. De Here Zelf legt uit waarom dit zo is: ‘Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is’ (Jes. 29:10-13).

Wij hebben er zojuist de aandacht op gevestigd dat voor de gelovigen de bedekking die de Schrift verduisterde weggenomen is. Maar Paulus voegt eraan toe ‘Indien dan nog ons Evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is’ (2 Cor. 4:3-4).

Er bestaat dus het tegenovergestelde van verlichting, namelijk, een blindheid waarmee het verharde hart geslagen wordt. De mensen hebben zich laten meeslepen door al de verleidingen van de zonde ‘omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. En daarom zendt God hun een kracht der dwaling, die bewerkt dat zij de leugen geloven, omdat allen worden geoordeeld die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen gehad hebben in de ongerechtigheid’ (2 Thess. 2:10-12).

Jezus heeft gezegd: ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien (wie beweren te zien, zoals de Farizeeërs), blind worden. Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos’ (Joh. 9:39; 3:19).

De wolkkolom was voor Israël het teken van de aanwezigheid van de Here, die hen leidde en beschermde vanaf het ogenblik waarop zij Egypte verlieten. Op het kritiekste moment plaatste zij zich tussen het volk en zijn vijanden. De wolk was duisternis aan de zijde van de vijanden, maar aan de andere zijde verlichtte zij de nacht (Ex. 14:19-20). Een treffend beeld van de Openbaring: ondoordringbaar voor de ongelovige wereld, en tegelijkertijd verlicht ze de voetstappen van de kinderen van God en leidt hen veilig!

Is het nog nodig te zeggen dat de tekst van de bijbel onveranderlijk het Woord van God blijft, ook al heeft de lezer of de hoorder zijn hart gesloten voor de verlichting die van boven komt? Hetzelfde geldt voor de boodschap van de profeten. God zei tot Mozes: ‘Een profeet zal Ik hun verwekken.. . , zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van dien zal Ik rekenschap vragen’ (Deut. 18:18-19). En tot Ezechiël sprak Hij: ‘Zo zegt de Here HERE. En zij, of zij horen dan wel het nalaten - want zij zijn een weerspannig geslacht - zullen weten, dat er in hun midden een profeet is geweest’ (Ezech. 2:4-5). Als de open­baring voor de mensen die verhard zijn een verzegeld boek is geworden, dat onmogelijk ontcijferd kan worden, blijft zij niettemin de openbaring, en haar oordelen zullen beslist voltrokken worden. (Jes. 29:10-14). Heeft Jezus Zelf niet gezegd: ‘Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt: het woord, dat Ik heb gespro­ken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage’ (Joh. 15:22; 12:48).

Het is beangstigend te denken aan diegenen die de bijbel ontleden alsof het een dood boek is. Wanneer zij besluiten, dat het niet het Woord van God is, sluiten zij zich meteen af van de verlichting die voortkomt van de goddelijke Auteur. Geen wonder dat ze er nog slechts proble­men en tegenstrijdigheden in kunnen zien! Daarentegen vindt degene die de geïnspireerde tekst aanvaardt in de nederige houding van Christus en de apostelen, juist een bevestiging voor zijn geloof, zelfs in de boeken die tegenwoordig het meest in twijfel worden getrokken. Hoe zijn wij zelf niet in diepe zin opgebouwd door een uitgebreide overdenking van Leviticus, Deuteronomium, de zogenaamde ‘tweede Jesaja’ (Hoofdst. 40-66), het evangelie van Johannes, 2 Petrus, Open­baring, enz.! God heeft door deze boeken tot ons gesproken, Hij heeft er onze ogen door geopend en onze ziel erdoor gevoed. Dit argument wint het van alle negatieve argumenten (waarop overigens ook een goed gedocumenteerde wetenschap antwoord kan geven).

IX. HOE ONTVANGT MEN DE VERLICHTING?

Daar God Zich nu heeft geopenbaard, en Hij niets liever wil dan Zijn woord doen verstaan, laten we eenvoudig tot Hem gaan met het gebed van de psalmdichter, die zelf één van de geïnspireerde schrijvers was:

‘Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet. Onderwijs mij, Here, den weg uwer inzettingen ... ‘Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren’ (Ps. 119:18, 33, 34 enz.).

God zal zo’n gebed zeker verhoren, mits wij van onze kant voldoen aan deze voorwaarden:

1. Voortdurend de Schrift overdenken, want we zullen haar niet verstaan, tenzij we ons vlijtig aan haar leer onderwerpen, evenals de psalmdichter dat deed: ‘Verberg uw geboden niet voor mij. Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde ... Ik toch verlustig mij in uw geboden, die ik liefheb ... en ik overdenk uw inzettingen. Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking den gansen dag. Voor de nachtwaken beginnen, keren mijn ogen zich naar uw toezegging. Uw hand zij mij ter hulpe, want uw bevelen heb ik verkozen’ (Ps. 119:19-20, 47-48, 97, 148, 173). God zal Zijn licht zeker geven aan degene die het op die wijze en op een dergelijke plaats zoekt!

2. Ons door het Woord laten oordelen. Als de driemaal heilige God tot ons spreekt, is de enige houding die ons past die van nederigheid en berouw. Zelfs voor de tegenstanders van het geloof geldt: ‘Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren, en ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van Hem, (losgekomen) uit den strik des duivels, die hen gevangen hield’ (2 Tim. 2:25-26). Dit is precies wat wij ook nodig hebben.

3. Meteen al het licht dat wij ontvangen in daden omzetten. Jezus verklaarde: ‘Indien iemand diens wil doen wil (die van de Vader die Hem gezonden had), zal hij van deze leer weten, of zij van God komt’ (Joh. 7:17). Degene die geen aandacht schenkt aan de leer die hij reeds heeft ontvangen, of zich ertegen verzet, kan niet verder worden geleid in de kennis der waarheid.

Mogen wij onderdanige en getrouwe discipelen zijn, wier geluk het is altijd weer deze belofte vervuld te zien, namelijk: ‘Het pad der rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot den vollen dag’ (Spr. 4:18).



Dostları ilə paylaş:
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə