Inspiratie en het gezag van de Bijbel


Waar kan het verzet tegen de volledige inspiratie en de bijbelkritiek toe leiden?



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə20/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

Waar kan het verzet tegen de volledige inspiratie en de bijbelkritiek toe leiden?


Wij zetten hier in meer algemene zin de discussie voort die wij eerder begonnen zijn en herhalen enkele van de argumenten die we inzake de verschillende inspiratietheorieën vermeld hebben.

I. WAT VERSTAAN WIJ ONDER BIJBELKRITIEK?

Het woord ‘kritiek’ (van het Griekse woord krinein, oordelen) betekent een discussie, die ten doel heeft de waarheid of de echtheid van bepaalde feiten of documenten vast te stellen, door een logisch onder­zoek. Laten we meteen zeggen, dat het volkomen geoorloofd en zelfs noodzakelijk is de oude teksten aan een positief kritisch onderzoek te onderwerpen. Wij hebben het Woord van God in de vorm van een verzameling boeken die geschreven zijn door verschillende schrijvers, in verschillende talen, gedurende verschillende tijden en in verschillende landen. Het is geheel terecht dat wij ons verstand gebruiken om de manuscripten en hun varianten te onderzoeken, de oorspronkelijke ta­len te bestuderen, de betekenis van de zinnen en de waarde van de uitdrukkingen vast te stellen. Aan dit werk, dat men de ‘lagere kritiek’ noemt, hebben geleerden hun hele leven gewijd en ze bestudeerden de kleinste details van het heilige Boek als onder een microscoop. Man­nen als B. F. Westcott en F. J. A. Hort hebben met hun Griekse Nieuwe Testament een onwaardeerbare bijdrage geleverd tot de weten­schap van de tekstkritiek; t.a.v. het Oude Testament deden B. Kennicott en in recente tijd R. D. Wilson hetzelfde.

Daarentegen wordt als ‘hogere kritiek’ aangeduid het onderzoek van de literaire stijl, de inhoud van de boodschap en het verband waarin deze staat tot de zeden, het tijdperk, de geschiedenis enz. Lezen we ook niet van Lucas dat hij ‘van meet aan alles nauwkeurig is nagegaan’? (Luc. 1:3).

Dus men moet geen kritiek verwerpen die tot beter begrip dient en wij hebben niets te vrezen van een wetenschappelijk onderzoek dat gedaan wordt in het licht en in de waarheid. Maar het is duidelijk dat het kritische onderzoek van de bijbel een zeer speciaal probleem met zich meebrengt. In dit unieke boek heeft de gelovige God ontmoet; zijn tegenwoordig en eeuwig leven is verlicht door de kennis van Jezus Christus. Daarom kan hij de Schrift niet benaderen als een gewoon menselijk boek. Bij zijn studie van de Schrift zal de Here Zelf steeds zijn Gids zijn. De verstandelijke kennis wordt dus aangevuld en beheerst door de levende kracht die tot ons komt uit de geïnspireerde tekst.

L. Gaussen drukt zich als volgt uit over de rol van de bijbelkritiek: ‘De kritiek van de heilige Schrift is een edele wetenschap! Dit is zij vanwege haar doel: een studie te maken van de lotgevallen van de geïnspireerde tekst, en van zijn canon, zijn manuscripten, zijn versies, zijn getuigen, en de talloze schrijvers die hem geciteerd hebben ... God behoede ons er dus voor ooit het geloof hier tegenover de wetenschap te stellen - het geloof dat leeft van de waarheid, tegenover de wetenschap die haar zoekt!

Maar ‘de kritische wetenschap kent haar plaats niet, wanneer zij, in plaats van een geleerde te zijn, een rechter wil zijn; wanneer zij, in plaats van godsspraken te verzamelen, zij deze samenstelt, of uit elkaar neemt, bij de canon rekent of uit de canon schrapt; en als zij zelf gods­spraken doet! ... Als zij het waagt van dit boek, dat zegt geïnspireerd te zijn, en dat verklaart u te moeten oordelen op de laatste dag, iets af te doen en als zij zich op de plaats der engelen van het laatste oor­deel zet, (Matth. 13:48, 49), om het boek van God op het strand van de wetenschap te trekken, en in haar vaten datgene daaruit te verza­melen wat haar goeddunkt, en om weg te werpen al hetgeen zij slecht vindt, en als zij dan de pretentie voert op die manier de gedachten van God en de gedachten van mensen van elkaar te scheiden ... dan is het noodzakelijk haar terecht te wijzen ...’ ‘... Het gebeurt maar al te vaak dat een langdurige studie van het uitwendige van het heilige Boek, (van zijn geschiedenis, de manuscripten, de vertalingen, de taal), de aandacht van de mensen die zich daarmee bezighouden zozeer in beslag neemt, dat zij niet meer letten op zijn betekenis, zijn doel, de morele kracht die zich erin vertoont, de schoonheden die er in geopen­baard worden en aan het leven dat eruit straalt ...’ Zo iemand verstikt zijn geestelijk leven daardoor ... Kan hij de tempel kennen? Hij heeft er slechts de stenen van gezien; hij weet niets van de Shechina (de heer­lijkheid des Heren, Ex. 40:35). Kan hij de beelden (‘typen’) begrijpen? Hij heeft zelfs geen vermoeden van het tegenbeeld: hij heeft slechts altaren gezien en schapen ... bloed, vuur, reukwerk, gewaden en ceremoniën; hij heeft niet de verlossing van de wereld gezien, de toe­komst, de hemel, de heerlijkheid van Jezus Christus’.165

De negatieve kritiek. Het is inderdaad helaas duidelijk, dat een bepaald soort kritiek, de negatieve kritiek, haar taak te buiten is gegaan. Maar al te vaak uitgaande van theologische en filosofische vóóronderstellin­gen en niet bewezen theorieën, heeft deze kritiek zich het recht aan­gematigd de Schrift als een dode tekst te ontleden. Wij gaan nu enkele van de problemen behandelen die een dergelijke kritiek heeft opge­leverd en zullen zien waartoe zij uit de aard der zaak leidt.

II. HET BEGIN EN DE ZEGETOCHT VAN DE MODERNE KRITIEK

Het wordt algemeen erkend dat de Joden, Christus, de apostelen, de eerste christengemeente, de kerkvaders, de Hervormers en hun opvol­gers tot aan de achttiende eeuw eenstemmig de volledige inspiratie van de Schrift hebben aangehangen (zie het vorige hoofdstuk).

Het rationalisme van de achttiende eeuw, en daarna vooral het gods­dienstig liberalisme van de negentiende eeuw hebben een breuk geslagen in deze orthodoxe stellingname. Onder invloed van de evolutietheorie, is men ertoe gekomen het bijbelse verhaal van de schepping en de zondeval te verwerpen,. Volgens deze theorie heeft de mens, toen hij ophield holbewoner te zijn, zich goden gemaakt naar zijn beeld (polytheïsme); hij liet langzamerhand het barbarendom achter zich en kwam later op de idee van een enig God (monotheïsme). Vóór de ont­wikkeling van de moderne archeologie, honderd jaar geleden, geloofde men dat geen enkel vaststaand historisch gegeven betreffende de oudheid verder terug kon gaan dan de VIe eeuw voor Christus. Dientengevolge verklaarde men de hele geschiedenis van de aarts­vaders en van Israël voor mythen en legenden. Het was zeker dat Mozes kon lezen noch schrijven en hij was niet in staat het wetboek en de ingewikkelde rituele voorschriften die zijn naam dragen, samen te stellen. De beschrijving van de Egyptenaren, de Kanaänieten en de koningen van Israël - vooral van Salomo - dat alles waren slechts fabelen. Dus (let op de volgorde van de gevolgtrekkingen), konden de zogenaamde boeken van Mozes niet van hem zijn. Zij waren veel later geschreven door verschillende auteurs, in totaal verschillende tijdper­ken. De wetenschap der kritici zou hen in staat hebben gesteld om duizenden jaren later nauwkeurig de veelvuldige ‘bronnen’ aan te geven, waarvan de volgende de belangrijkste zijn (ook al verschillen de geleerden onderling sterk van mening op vele van deze punten);

a. De schrijver die J (Jahvist. omdat hij God Jahveh noemt) genoemd wordt, zou in Juda geleefd hebben ongeveer 950-850 v. Chr. Bepaalde kritici verdelen deze ‘bron’ nog onder in J1 en J2.

b. de schrijver E. (Elohist, die God Elohim noemt, de Here) zou ge­leefd hebben omstreeks 750 v. Chr. Na de val van Samaria zou een ‘redakteur’ JE de J en de E hebben samengevoegd en er zelf nog wat van zijn eigen vinding aan hebben toegevoegd.

c. Het document D zou het grootste deel van Deuteronomium bevat­ten. Dit zou het boek der wet zijn dat ‘teruggevonden’ werd in de tempel tijdens de regering van Josia in 621 (2 Kon. 22 en 23).

d. H. was de ‘Heiligheidscode’ (Lev. 17:26), die de ceremoniële reinheid behandelt; de kritici zijn het niet eens over de vraag of zij vóór of na Ezechiël moet worden geplaatst.

e. P (van het woord Priesters), bekend als de ‘Priester Codex’; samengesteld door de priesters tijdens de ballingschap, zou aan het volk ge­geven zijn (in de naam van Mozes) door Ezra omstreeks 398 voor Chr.

f. Tenslotte zouden een of meer samenstellers (Rd, redakteur) een groot aantal heterogene elementen samengevoegd hebben, waardoor de huidige Pentateuch ontstond. Zodoende, zeggen Oesterley en Robin­son, ‘vormde de wet in het begin van de tweede eeuw voor Chr. één geheel, en had men blijkbaar geen vermoeden van het feit dat zij oor­spronkelijk een samenstelling was. Wij lopen nauwelijks het gevaar ons te vergissen als we het tijdstip van haar voltooiing vaststellen op onge­veer 300 jaar voor Chr.166 Onnodig te zeggen, dat tal van argumenten zijn aan te voeren die duidelijk de onhoudbaarheid en de onwaarschijn­lijkheid aantonen van deze reeks ingewikkelde hypothesen die niet op feiten berusten.

Een studie van Oesterley en Robinsons boek laat extravagante voor­beelden zien van dit in stukken verdelen van de bijbeltekst volgens bovenbedoelde bronnentheorie:

Genesis 2:4b-4:2b wordt toegeschreven aan J; 1:1-2:4a aan P; Genesis 5:29, J; 5:1-28 en 30-32, P;

Genesis 6:1-8, J; 6:9-22, P;

Genesis 7:1-5, 7, 10, 12, 16b, 17b, 22a-23a; 8:2b-3a, 6-12, 13b 20-22; 9:18-27, J;

Numeri 15:1b, JE; 14:3-4, J; 14:8, 9, 11-25, JE; 14:1a, 2, 5-7, 10, 26-30, 33-38, P;

Deuteronomium 34:1b-6, E; 32:48-52, P; 34:1a-7-12, P;

Deuteronomium 7:6, 8-9, 11, 13-16a, 17a, 18-21, 23b-24; 8:1-2a, 3b-5, 13a, 14-19; 9:1-17, 28-29, P.

Zo zijn er bladzijden en bladzijden vol en studenten in de theologie met wie wij kennis maakten, die consciëntieus de ‘bronnen’ met ver­schillende kleuren hadden onderstreept, spraken over hun ‘regenboog­bijbel’. In dezelfde trant hebben we bijvoorbeeld in het Frans de ‘Dictionnaire Encyclopédique de la Bible’, uitgegeven door A. Westphal in 1932, die kortgeleden onveranderd in herdruk is verschenen; en de Jeruzalem bijbel van 1956 (de katholieken gaan tegenwoordig feitelijk even ver als de protestanten en de Joden in de tekstkritiek). Zulke kritici doen waarlijk denken aan de Romeinse waarzeggers van wie Cicero zich afvroeg hoe zij elkaar aan konden kijken zonder te lachen. Als men de bijbel op deze manier tot een puzzel herleidt (volgens sommigen is Genesis 37 onderverdeeld in zesentwintig fragmenten, waarvan drie in één vers) dan betekent dit, dat men de historische waarheid van het hele Oude Testament tot nul reduceert en dienten­gevolge ook de geestelijke boodschap.

Het liberalisme dat de bijbel als een gewoon boek behandelt, heeft ook het Nieuwe Testament aangevallen. Als de mens geen zondeval heeft gekend, maar zich geleidelijk tot het goede ontwikkelt, dan heeft hij geen goddelijke Verlosser nodig. De evangelieverhalen zijn alleen maar legenden, het bovennatuurlijke is er eenvoudigweg uit verwijderd. Jezus is niet door een wonder geboren en zijn dood kan de zonden niet wegnemen. Er is geen sprake van Zijn glorierijke wederkomst en de eeuwige hel bestaat niet. Het vierde Evangelie, bepaalde brieven en de Openbaring zijn zeker niet authentiek.

III. DE ‘BIJBELSE HERNIEUWING’

Een beter onderrichte wetenschap heeft nu het antwoord verschaft op vele van de argumenten van het oude liberalisme. Een groot aantal geleerden heeft de evolutieleer bestreden. De ontdekking van Ur der Chaldeeën en van de oudste beschavingen (Sumer, Babylon, Ninevé, Mari, Ugarit, Jericho, Creta, Egypte, enz.) heeft aangetoond hoe juist de bijbelse beschrijving van het tijdperk van de aartsvaders, van Mozes en van Israël was; wie waagt het nog na de ontdekking van de wet­ten van Hammurabi te zeggen. dat Mozes niet in staat was om iets dergelijks te schrijven? Evangelische christenen hebben zich verheugd over dergelijke ontwikkelingen, ofschoon men niet kan zeggen, dat deze bevestigingen hun de Schrift hebben teruggegeven, aangezien zij deze nooit hadden verloren.

Een recente stroming in de theologie heeft vaak de wens uitgedrukt de eer van het Woord van God te herstellen en ons terug te brengen tot de bijbel. Maar het is de vraag welk Woord en welke bijbel er wordt bedoeld.

Er heeft inderdaad een vrij belangrijke hernieuwing plaatsgevonden van de bijbelstudie en van publicaties over de tekst van de Schrift. Echter is één ding duidelijk voor de meeste hedendaagse theologen: zij keren niet terug tot hetgeen zij beschouwen als een ‘niet-wetenschappelijke’ opvatting, namelijk, dat de bijbel het Woord van God is. Volgens hun mening, evenals volgens die van de oudere liberalen, bevat de Schrift vele vergissingen, legenden en tegenstrijdigheden. Het is niet het Woord van God, maar slechts een getuigenis van dat Woord gegeven door mensen die zelf feilbaar waren.

Karl Barth schrijft: ‘De profeten en de apostelen konden zelfs in die hoedanigheid fouten maken in hetgeen zij zeiden of schreven; zij waren immers feilbare mensen, net als wij allen’.167

‘Als God zich niet schaamde te spreken door de Schrift met haar feilbaarheid van menselijke woorden, haar geschiedkundige en weten­schappelijke onjuistheden, haar theologische tegenstrijdigheden, de on­zekerheid van haar overdracht en bovenal haar Joods karakter, maar integendeel haar aanvaardde in al haar feilbaarheid om Hem te dienen dan hoeven wij ons ook niet voor de bijbel te schamen, als zij met al haar feilbaarheid ons opnieuw getuigenis wil geven. Het zou ongehoor­zaamheid zijn en het zoeken van onze eigen wil, om in de bijbel onfeil­bare elementen te willen ontdekken’.168

De profeten en de apostelen ... ‘waren feilbare mensen die fouten kon­den maken net als wij, kinderen van hun tijd, zoals wij kinderen van onze tijd zijn; hun intellectuele horizon was ook beperkt net als die van ons. Men kan, als men wil, telkens opnieuw constateren, dat hun wetenschappelijke opvattingen, de voorstelling die zij maakten van de wereld en in grote mate zelfs hun moraal, geen maatstaf voor ons kunnen zijn. Zij hebben ons in kennis gesteld van overleveringen en legenden, en zij hebben erg vrij gebruik gemaakt van allerlei mytholo­gische thema’s. Zij hebben zich meer dan eens tegengesproken en zelfs in zeer belangrijke beweringen. Op enkele uitzonderingen na waren zij geen theologen’.169 En Karl Barth heeft ergens anders geschreven: ‘De bijbel is ook kwetsbaar en feilbaar in zijn meer specifiek godsdienstige en theologische gedeelten ... er komen vele doubletten en tegenstrijdig­heden in voor’.170

De Franse dominee Pierre Courthial schrijft met veel inzicht over deze niet-schriftuurlijke leer van de Schrift:

‘Op dit fundamentele punt heeft Barth de demonen van de reeds verouderde kritische traditie waarin hij onderricht was en die - helaas - nog steeds in heel wat protestantse en katholieke theologische hoge­scholen en seminaries onverstoorbaar geleerd wordt, niet kunnen en willen uitdrijven ... Als de opleving van de protestantse theologie en daarna van de prediking en van het leven der kerken van de Refor­matie niet de vruchten voortgebracht heeft die men er in de jaren dertig en veertig van verwachtte en als ettelijke van deze kerken vandaag in een doodlopend slop geraakt zijn (in het bijzonder het oecumenische), een situatie die we overal om ons heen kunnen zien, dan is dat vanwege het feit dat de bijbelse grondmotieven, nadat ze een tijdlang voortreffelijk gewerkt hadden in de theologische en kerke­lijke vernieuwing van de 20ste eeuw, belemmerd en overschaduwd werden door bovenschriftuurlijke en tegen-schriftuurlijke grondmo­tieven die zich reeds van het begin af aan deden gelden in de Barthiaan­se leer van de Schrift’. ... het is duidelijk, dat voor Barth de werkelijke menselijkheid van de bijbel de niet minder werkelijke mogelijkheid van fouten met zich meebrengt. Het is ook duidelijk, dat voor Barth de werkelijke menselijkheid van de bijbel de grondslag legt voor de rechtmatigheid van de kritische traditie’.171

Pierre Courtbial zegt zeer terecht, dat daarom de bijbel nog niet feilbaar is: ‘Maar evenals het vleesgeworden Woord van God zonder zonde was, is ook het ‘geschreven’ Woord van God zonder fouten ... De mense­lijkheid van Jezus is gelijk aan die van ons, in alle dingen, uitgenomen de zonde. De menselijkheid van de bijbel is gelijk aan die van vele andere boeken, behalve dat er geen fouten in voorkomen’. 172

Volgens de populaire dialectische methode, laat Barth het daar niet bij: alles wat Barth zegt over de menselijkheid en de feilbaarheid van de bijbel, zijn slechts zijn eerste beweringen over de bijbel. Vervolgens en vooral wil hij met volle kracht handhaven dat de Schrift het Woord van God is: ‘Wij geloven in en met de Kerk, dat de Heilige Schrift, het oorspronkelijke en enige rechtmatige getuigenis van de openbaring, het Woord van God is’.173 ‘Maar’, voegt Courthial eraan toe, ‘het is belangrijk dat we goed begrijpen wat Barth bedoelt met deze uitspraak, aangezien hij zeer beslist de leer van de inspiratie van de bijbel ver­werpt, zoals deze is uiteengezet door de oude kerkvaders (zoals onder anderen door Augustinus) en door de Reformatoren van de 16e eeuw (zoals onder anderen door Calvijn), en zoals deze gehandhaafd wordt door de gereformeerde geloofsbelijdenissen’.174

Emil Brunner, nog een beroemd theoloog, aarzelt niet te zeggen: ‘Ik zelf ben een aanhanger van een nogal radicale school van de bijbel­kritiek die, bijvoorbeeld, het Evangelie van Johannes niet als een historische bron aanvaardt en die legenden vindt in vele delen van de synoptische evangeliën’.175 ‘Degene die beweert, dat het Nieuwe Tes­tament ons een waarlijk samenhangend verhaal van de opstanding geeft, is of onwetend, of niet erg eerlijk’.176 De dialectische theologie beweert dat de Schrift daarom op zichzelf geen openbaringskarakter bezit, omdat de aard van de openbaring niet toelaat dat ze op schrift wordt gesteld. Dat wat ‘opgeschreven’ is wordt aan het toezicht van de mens onderworpen; om de woorden van E. Brunner te gebruiken: het is alsof de Geest van God ‘gevangen zou zijn tussen twee kaften van het geschreven Woord’. ‘Om deze reden kunnen de bijbelse docu­menten, welke inspiratieleer wij ook mogen aanhangen, niet beschouwd worden geïnspireerd te zijn’.177 Professor Brunner verwerpt ook de leer van de wonderbare geboorte en van het plaatsvervangend zoen­offer. Over de synoptische evangeliën schrijft hij voorts nog: ‘Zij vermelden vele dingen die niet historisch zijn. Ook zij leggen Jezus woorden in de mond die Hij niet zelf heeft uitgesproken, en zij vertel­len verscheidene dingen over Hem die nooit plaats hebben gevonden op de nanier waarop ze beschreven zijn’. Wat betreft het vierde evangelie is het volgens Brunner mogelijk, dat Jezus in feite geen van de woorden uitsprak die Johannes aan Hem toeschrijft. ‘Op sommige punten biedt de verscheidenheid van de apostolische leer, zuiver theologisch en verstandelijk beschouwd, een onverzoenlijke tegen­strijdigheid’.178 Let goed op dit bijzonder ernstige feit: als de bijbel feilbaar is en op dwaling berust op het gebied van de theologie en de moraal, evenals op het terrein van de geschiedenis en de wetenschap, wat heeft hij ons dan te bieden? Blijft dan zelfs de mogelijkheid nog bestaan om God objectief te kennen? Zijn wij niet geneigd met Maria te zeggen: ‘Zij hebben mijn Here weggenomen en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben?’ (Joh. 20:13).

Als de grootste theologen zich zo uitdrukken over de werkelijke waarde van de bijbelse teksten, hoe kunnen zij dan op een dergelijke basis een ‘theologie van het Woord van God’ vestigen? In werkelijkheid geeft men tegenwoordig aan deze uitdrukking een betekenis die volkomen verschilt van de traditionele. God spreekt wel tot ons door middel van de bijbel, maar het is niet de geschreven tekst die Zijn Woord is. Het Woord is de boodschap die tot ons komt door de Schrift heen, maar het zou een grove vergissing zijn te geloven, dat de boodschap van God gebonden is aan één of ander speciaal vers. Tenslotte zegt Courthial nog: voor vele neoprotestantse en ‘barthiaanse’ theologen (zoals G. S. Hendry, E. Brunner, J. A. Mackay) kan de openbaring van God die de openbaring is van iemand, van een persoon, ons daarom geen ‘onderwijzingen’, ‘waarheden’, ‘leerstellingen’ en ‘informaties’ ge­ven. Gods ‘daad’, of ‘daden’ zijn onverenigbaar met de ‘onderwijzingen’ en ‘beweringen’ van de bijbel’. Dit is natuurlijk onhoudbaar en men staat verbaasd over de vindingrijkheid van de menselijke (of duivelse) geest waarmee hij in een nieuwe vorm telkens weer het Woord van God in twijfel trekt. Courthial besluit zeer terecht met de volgende woorden: ‘Het neo-protestantisme spreekt in zijn verschillende vormen telkens weer van een ‘theologie van het Woord’ en van een ‘bijbelse theologie’, terwijl het onophoudelijk en overal bestrijdt hetgeen de bijbel van zichzelf zegt, namelijk dat zijn ‘onderwijzingen’ zijn ‘leer­stellingen’, zijn ‘informaties’ en zijn ‘beweringen’ het Woord van God vormen, geschreven en geïnspireerd door God’.179



De echo van de openbaring.

De hedendaagse theologie gaat uit van het principe, dat de Schrift op zichzelf niet de geopenbaarde waarheid is. William Temple, de Angli­caanse aartsbisschop van Canterbury, vroeger voorzitter van de Wereld­raad van Kerken, schreef: ‘Er is geen geopenbaarde waarheid’ ... Er zijn openbaringswaarheden, dat wil zeggen meningen die het resultaat uitdrukken van juiste gedachten over de openbaring; maar deze meningen zelf zijn niet rechtstreeks geopenbaard’.180 De Schrift zou dus het menselijke antwoord op en het getuigenis van de openbaring zijn; zij zou de echo van de openbaring zijn, maar volstrekt niet de open­baring zelf. Professor D. D. Williams beweert, dat bijna alle heden­daagse theologen er deze opvatting op na houden. ‘Op deze manier’, schrijft hij, ‘kan het christelijk denken bevrijd worden van het onver­draagzame dogmatisme, dat beweert dat de waarheid van God hetzelfde is als de een of andere menselijke formulering daarvan’ (in de Schrift, ongetwijfeld, of in een latere geloofsbelijdenis).181

Temple schrijft verder nog: ‘Het is buitengewoon belangrijk, dat Christus geen boek heeft geschreven. Het is zelfs nog belangrijker, dat wij van geen één van Zijn daden of woorden volledig zeker zijn, dat Hij ze precies zo gedaan, of precies zo gezegd heeft’. Wat de bijbel in zijn geheel betreft, voegt Temple eraan toe: ‘Men kan geen enkele zin aanhalen die het gezag heeft van een uitspraak van de driemaal heilige God’.182

R. A. Finlayson concludeert: ‘Dit laat zien hoe ver het neo-liberalisme gedwongen is te gaan in zijn pogingen om de openbaring van de Schrift te scheiden, en de bijbel als bron van toereikende en betrouwbare kennis van God neer te halen. Waarschijnlijk is voor Dr. Temple de onzekerheid aangaande alle woorden of daden van Christus zo ‘ont­zettend belangrijk’, omdat dit meer ruimte geeft voor de uitoefening van het geloof. Maar een geloof gebaseerd op dergelijke onzekerheden is een zuiver vermoeden’.183

IV. HOE ZOU DE FEILBARE BIJBELSE BOODSCHAP HET WOORD VAN GOD KUNNEN ‘WORDEN’?

Als de bijbelse tekst zo onzeker is, en als de schrijvers van die tekst op alle punten feilbaar zijn, en als de bladzijden daarvan vol staan met legenden en fouten, hoe kan de gelovige dan de waarheid onder­kennen? Men antwoordt ons dat dit gebeurt als God gebruik maakt van de tekst, zoals die is, om de gelovige rechtstreeks te treffen, hier en nu. Dan wordt deze boodschap het ‘Woord van God’ en wordt de openbaring aan de mens verleend in deze persoonlijke ontmoeting met de Here. John Murray vat de moderne opvatting, die hij overigens niet deelt, als volgt samen: De Schrift ‘getuigt ons van het Woord van God, zij is het instrument van dit woord en in die zin is zij uniek...’Maar er is een ‘voortdurende nieuwe handeling van God, een goddelijk besluit nodig, opdat het getuigenis dat de Schrift geeft van het Woord van God ons met een onweerstaanbare kracht kan treffen. Het gezag van de Schrift is dus noch voorafgaand, noch objectief. Het bestaat slechts hier en nu, voor een bepaald mens en niet voor een ander, in een concrete crisis en confrontatie. God openbaart zich door tussenkomst van de Schrift, maar de Schrift wordt slechts het Woord van God in de voortdurende vernieuwing van de crisis die in de mens teweeg wordt gebracht, en in de voortdurende vernieuwing van het goddelijk besluit’.184

Th. Engelder heeft, zoals wij reeds eerder hebben aangehaald, over deze theologen opgemerkt: ‘Zij weigeren te geloven, dat God het wonder heeft verricht ons door inspiratie een onfeilbare bijbel te geven, ... maar zij zijn bereid te geloven, dat Hij elke dag een groter wonder verricht door mensen in staat te stellen in een feilbaar men­selijk woord het onfeilbare Woord van God te ontwaren’.185

Als het waar is dat God mij Zijn Woord pas overbrengt op het ogen­blik waarop ik God ontmoet door Zijn waarheid en waarop Zijn boodschap mij raakt, dan wil dat zeggen, dat het gezag van de Schrift zetelt in degene die zijn boodschap ontvangt. Dit is in feite een ver­warring van de inspiratie van de bijbel met het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest.l86

‘Bovendien, wat is deze tekst die ‘het Woord van God wordt’, vraagt Robert Preus: ‘De Schrift is het Woord van God. Zij wordt het niet en kan in het bijzondere geval ook niet het Woord van God worden. Zij wordt dit niet als de Kerk haar als zodanig erkent, of als God iemand ertoe brengt haar als zodanig te aanvaarden. Evenals de brief van een vriend zijn gedachten uitdrukt, geeft de Schrift te allen tijde het plan van God voor ons heil ... Vanuit welk gezichtspunt men het Woord van God ook beschouwt, het is steeds hetzelfde, het identieke Woord des Heren. Men kan het bezien in de Geest van God, in de geest van de profeten en van de apostelen, gepredikt of geschreven door mensen of ontvangen in onze harten: het blijft altijd hetzelfde Woord van God’.187

V. VOLGENS WELK CRITERIUM KAN MEN HET ‘WOORD VAN GOD’ ONDERSCHEIDEN?

Door te beweren dat de bijbel slechts het Woord van God ‘bevat’, en dat de gelovige Gods Woord in de bijbel moet ontdekken, stelt men in feite een onoplosbaar probleem. J. I. Packer geeft een duidelijke for­mulering van het dilemma waarmee de hedendaagse theologen gecon­fronteerd worden: Hoe kunnen zij ‘het goddelijke gezag van de bijbelse openbaring bevestigen zonder de mogelijkheid (feitelijk is het, naar hun opvatting: de aangetoonde werkelijkheid) uit te sluiten, dat er in de Schrift menselijke vergissingen voorkomen? Hun doel is niet de bijbel uit het zuurbad van de rationalistische kritiek te halen, maar een of andere toevoeging aan het bad uit te denken die het aantastend effect neutraliseert. Het probleem is het volgende: hoe kan men de bijbel herstellen als soevereine rechter over de dwalingen van de mens, en tegelijkertijd de mens de soevereine rechter laten over de vergissin­gen van de bijbel? Hoe kan men verklaren, dat het getuigenis van de Schrift waar is, en tegelijkertijd doorgaan de Schrift van onwaarheid te beschuldigen? Men kan niet ontkomen aan de gedachte, dat het een krachttoer moet zijn om een overtuigende oplossing te vinden voor een dergelijk probleem. En toch is dat de taak die de moderne theologie op zich heeft genomen. Zij is van plan de leer van de openbaring opnieuw te formuleren op zodanige wijze, dat aan de ene kant de orthodoxe onderwerping van het hart en de geest aan het bijbelse gezag, en aan de andere kant de onderwerping van de bijbel aan het gezag van de rationalistische kritiek als het ware twee grondbeginselen blijken te zijn die elkaar aanvullen en niet tegenstrijdig zijn’.188

Vervolgens vraagt J. I. Packer zich af wat het criterium voor de open­baring dan wel is: ‘Als er geen geopenbaarde waarheid is en de bijbel alleen maar een menselijk getuigenis is van de openbaring, feilbaar en gebrekkig zoals alles wat menselijk is, welke garantie kunnen we dan hebben dat ons begrip van de openbaring overeenkomt met de realiteit van de openbaring zelf? Wij zijn zondige mensen en wij hebben geen reden om eraan te twijfelen, dat onze eigen gedachten over de open­baring net zo feilbaar en foutief zijn als over alle andere dingen; volgens welke maatstaf moeten wij onze gedachten dan toetsen en verbeteren? ... Het traditionele christendom antwoordt daarop: een zodanige maatstaf is er, nl. de bijbelse voorstelling van de waarheid. De moderne theologie kan dit echter niet anders zeggen dan zo: ‘De enige maatstaf die wij hebben om onze eigen feilbare beoordelingen te toetsen is onze eigen feilbare beoordeling zelf ...’

‘Een vanzelfsprekend gevolg van deze moderne methode om het pro­bleem te benaderen is het aanmoedigen van een soort dubbelzinnige taal inzake de bijbel, waarin men veel speelt met bijbelse termen. De bijbelse begrippen worden voorgesteld als de beste manier om het christelijke geloof uit te drukken, maar zij worden vervolgens onder­worpen aan een rationeel interpretatieprincipe dat hen berooft van hun fundamentele bijbelse betekenis. (Men behandelt bijvoorbeeld het verhaal van de zondeval als een mythe, een waar en veelbetekenend symbool van de werkelijke staat van de mensen van heden, maar on­waar als verhaal van een objectieve gebeurtenis). Zodoende is de theologische munt gedevalueerd en hangt er nu een wolk van dubbelzinnigheid over een groot deel van het moderne bijbelonderzoek. Bultmann heeft althans de verdienste dat hij alles consequent heeft doorgetrokken: nadat hij verklaard heeft, dat de hele leer van de verlossing in het Nieuwe Testament een mythe is, heeft hij met een doorzicht dat maar weinigen bezitten, gezien, dat het het redelijkste zou zijn om de mythologie volkomen te laten vallen en eenvoudigweg het soort existentialisme te prediken dat naar zijn mening de ware ‘beteke­nis’ van het Nieuwe Testament is’.189

Inzake het verhaal van Elia (1 Kon. 17 en 18), verklaarde een professor aan één van de franse theologische faculteiten onlangs, ondanks de getuigenissen van Jezus (Luc. 4:25-26) en Jacobus (5:16-18): ‘Men zou kunnen zeggen dat dit verhaal historisch niet waar is, maar geestelijk wel’. Wat zullen de studenten van deze professor er wel van denken; en vooral, wat zullen zij erover prediken voor de gemeente van Christus, die gelooft, dat de bijbel de waarheid is?

VI. HOE MOETEN WE ONTKOMEN AAN DE VALSTRIK VAN HET SUBJECTIVISME?

Als de bijbel zelf niet de openbaring is, als hij feilbaar en foutief is op theologisch, moreel, geschiedkundig en wetenschappelijk gebied, dan zal het zogenaamde ‘Woord van God’ dat ik door middel van de bijbel ontvang in hoge mate subjectief zijn; dat wil zeggen, het zal afhankelijk zijn van mijn ervaring en mijn waardering daarvan. Immers, wie moet beslissen wat waar is, wat waardevol is in de tekst die ik onder ogen heb? Hoe moet ik weten of de gebeurtenissen die ze beschrijft waar zijn, of dat zij mooier zijn gemaakt, of zelfs verzonnen? Hoe moet ik onderscheiden tussen feiten en leer, tussen de wezenlijke boodschap en de achtergrond, die zogenaamd weinig betrouwbaar is? In feite beslist het menselijk verstand noodzakelijkerwijs op grond van bepaalde criteria die eigen zijn aan ons denken. De kennis en het begrip van de mens is daarom de hoogste rechter die beoordeelt wat het Woord van God is.190

Nogmaals, hoe kunnen we een dergelijk Woord van God onderschei­den? Hoe moeten we het identificeren, het herkennen? Deze brandende vraag houdt ook E. J. Young bezig.191 Men komt telkens weer terecht bij het subjectivisme, volgens hetwelk de mens zelf degene is die deze vraag beoordeelt. Iedereen die onderscheid maakt tussen de Schrift en het Woord van God aanvaardt praktisch heel de bijbelkritiek, vaak zelfs in de meest radicale vorm. Ieder woord van de tekst kan in twijfel getrokken worden, en dit gebeurt inderdaad ook. Alle kennis die de moderne theologen bezitten over God, de Drieëenheid, Jezus Christus, de Heilige Geest, de opstanding en hetgeen zij ‘het Woord van God noemen - dit alles verkrijgen zij uit de woorden van de bijbel. Maar als die woorden niet zeker of niet betrouwbaar zijn, moet men dan zekerheid zoeken in zijn eigen gedachten? Hoe kan men dan van deze vage mededelingen de juiste inhoud aangeven, als het niet de verzen zelf zijn die tot ons gesproken hebben? Bovendien zal het waargenomen Woord verschillen van mens tot mens en van de ene grote theoloog tot de andere. Denk alleen maar eens aan de funda­mentele verschillen in de theologie van Barth, Brunner, Bultmann, Tillich en Robinson. Waar ligt de waarheid dan?

Wij hebben zojuist gesproken over subjectivisme, maar we zouden ook de termen ‘illuminisme’ of ‘mysticisme’ kunnen gebruiken. In het illuminisme beweert de gelovige, dat hij een speciaal licht ontvangt rechtstreeks van God, een mededeling van de Geest die hem onafhan­kelijk maakt van de geschreven openbaring. Wij geloven inderdaad dat de Here zich rechtstreeks kan richten tot ieder van ons. Maar om ons voor afdwalen te behoeden, heeft Hij ons de onmisbare toetssteen van Zijn onfeilbare Woord gegeven. De moderne theologen hebben deze maatstaf niet en de hele kerkgeschiedenis leert ons hoe gevaarlijk dat is. Het mysticisme is een gemeenschapsoefening van de ziel met God, die naar zijn diepste wezen niet uit te drukken is. Dit is bijvoorbeeld wat Brunner bedoelt als hij het heeft over de ‘persoonlijke ontmoeting’, waarin God tot de enkeling spreekt. De communicatie die Hij daardoor tot stand brengt is onuitsprekelijk en kan niet worden uitgedrukt in een verstaanbaar woord. Nogmaals, als men deze communicatie niet stelt onder de normatieve waarheid van de Schrift, wat is dit dan anders dan een oncontroleerbaar mysticisme?

In de achttiende en negentiende eeuw was men overtuigd van de onfeil­baarheid van het menselijk verstand, dat men volstrekt niet aangetast achtte door de zonde. Onze tijdgenoten hebben deze illusie verloren: zij hebben zoveel filosofieën en idealen in elkaar zien storten; zij zijn zich bewust van de invloed van niet-rationele factoren op het denken; zij hebben de macht bemerkt van de propaganda en van de hersen­spoeling; zij zien waartoe het ongeremde gebruik van de wetenschap en van het menselijk verstand kan leiden. Zij hebben weinig hoop meer om van wat dan ook objectieve kennis te verwerven. Waar moeten zij de zekerheden vinden die hun leven zo nodig heeft? Zij zullen deze niet vinden bij mensen die, ofschoon zij bekennen dat het rationalisme gefaald heeft, tegelijkertijd twijfelen aan het bestaan van een op schrift gestelde goddelijke waarheid. Tenzij wij toegang hebben tot een nor­matieve openbaring die het mogelijk maakt onze feilbare menselijke begrippen naar waarde te schatten en te verbeteren, zijn zondaars zoals wij er altijd aan prijsgegeven uit de rechte koers te drijven op een oceaan van twijfel en speculaties. En als de moderne theologie ons vertelt, dat wij noch de bijbel, noch onszelf kunnen vertrouwen, dan geeft zij ons aan een dergelijk lot over, zonder hoop of uitzicht. Als wij dit alles letterlijk opvatten, leidt dit rechtstreeks tot dogmatisch scep­ticisme. Men verduistert de situatie alleen maar door hier te spreken van een paradox of van dialectische spanning. In werkelijkheid, doordat de moderne theologie twee tegenstrijdige opvattingen met elkaar in overeenstemming tracht te brengen, veroordeelt zij zichzelf tot een oneindig naar willekeur heen en weer slingeren, tussen het bevestigen en het ontkennen van de betrouwbaarheid van, hetzij de menselijke speculaties, hetzij de uitspraken van de bijbel. De enige vaste grond­regel die zij kan vinden is de sceptische conclusie, dat wij geen enkele zekere kennis hebben van God. De enige manier om een dergelijke conclusie te vermijden is terug te keren tot de enig juiste opvatting omtrent de Schrift, die van de bijbel zelf, namelijk, dat zij de op schrift gestelde en onfeilbare openbaring is van God.192

VII. DE JACHT OP DE MYTHEN.

Het is in de mode om te spreken over de mythen in de bijbel. Een mythe is niet een legende of een fabel, maar ‘een verhaal dat de gebeurtenissen van de geestelijke wereld beschrijft alsof deze op aarde plaats hadden gevonden, of een verhaal dat aardse gebeurtenissen weergeeft op een manier waardoor duidelijk wordt gemaakt dat deze gebeurtenissen een geestelijke oorsprong hebben’.193 Professor Rudolf Bultmann, uit Marburg, heeft een grote bekendheid en een geweldige invloed verworven door zijn poging om de bijbel, en vooral het Nieuwe Testament te ontmythologiseren. Zijn bekendste boek is ‘Kerygma und Mythos’. Wij zullen in het kort samenvatten hetgeen P. E. Hughes hierover zegt in zijn boek ‘Scripture and Myth’. Bultmann is van mening, dat, als we de bijbelse tekst zuiveren van elk mythologisch element, de wezenlijke kern van het evangelie - het Kerygma (de verkondiging, de waarheid die gepreekt moet worden) - over zal blijven. Wij hebben in hoofdstuk II van het derde deel paragraaf II, 3) reeds enkele van de mythologische elementen genoemd die volgens hem verwijderd moeten worden. Alles wat het karakter van een wonder draagt is synoniem met mythologie en dientengevolge vreemd aan de moderne mens die bij uitstek ‘technologisch’ is.194

Jezus van Nazareth is een gewoon mens, zijn persoon en werk hebben niets bovennatuurlijks. Hij is een concrete historische figuur en zijn kruisiging heeft werkelijk plaatsgevonden. Voor het overige verklaart Bultmann, dat de wonderbare geboorte, het lege graf en de hemelvaart legenden zijn, en dat de opstanding een niet historische gebeurtenis is die wij niet moeten aanvaarden. De leer die zegt, dat Jezus Christus de Zoon van God is, die vóór alles bestond, is enkel mythologisch. Dergelijke en ook andere elementen van het Nieuwe Testament worden met bekwame spoed (en heel gemakkelijk) van de hand gewezen, omdat ze zeer zeker latere verfraaiingen van de eerste overlevering zouden zijn.195 Wat de verzoeningsdood van Christus betreft, de mytho­logische interpretatie is een samenvoegsel van analogieën van offeran­den en wet die in onze tijd niet meer houdbaar zijn. Bultmann zegt verder, dat de dood als straf voor de zonde in strijd is met het natura­lisme en het idealisme, aangezien beide de dood slechts zien als een normaal proces, aan gene zijde waarvan er helemaal niets is. De christelijke hoop is dus zinloos. ‘Al ons huidige denken wordt bepaald door de moderne wetenschap ... Nu de krachten van de natuur en de natuurwetten ontdekt zijn, zijn de wonderen van het Nieuwe Testament niet wonderbaarlijk meer ... Het is onmogelijk te geloven in de Nieuw-testamentische wereld van demonen en geesten ... De mytho­logische eschatologie is onhoudbaar, zodat we de wederkomst van de Zoon des mensen op de wolken des hemels niet meer kunnen verwach­ten en ook niet meer hoeven te hopen, dat de uitverkorenen samen op de wolken weggevoerd zullen worden den Here tegemoet in de lucht. Dankzij de kennis die de moderne mens heeft van zichzelf, kan men nu stellen, dat de menselijke natuur een eenheid is die op zichzelf kan bestaan, gevrijwaard voor de tussenkomst van bovennatuurlijke krach­ten’.

P. E. Hughes trekt de volgende conclusie: ‘Bultmann gaat ervan uit dat de kennis van de ‘moderne mens’ en van de ‘moderne wetenschap’ bepaalt wat al of niet mogelijk is in onze wereld. Hij schrijft dus aan deze kennis van de mens gezag toe en spreekt zich op deze manier uit tegen de kennis en het gezag van God. Ziet hij niet in dat de logica van zijn systeem eist, dat hij de laatste stap onderneemt door te verklaren dat God de laatste mythe is die verwijderd moet worden?’196 Het is de moeite waard de hele brochure te lezen en erover na te denken.

VIII. GOD ZONDER GOD - GOD IS DOOD - DE MENS IS GOD.

Men heeft het werkelijk gewaagd deze stap te doen. Het boek ‘Honest to God’ (in het Nederlands ‘Eerlijk voor God’) geschreven door de Anglicaanse bisschop John A. T. Robinson, werd terstond overal ter wereld een best-seller. In het begin van 1966 was het in negen talen vertaald en waren er meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Voor de auteur is de mens van de 20ste eeuw volwassen geworden. Hij kan niet meer geloven in een God die onderscheiden is van hemzelf, die ‘daar boven’, ‘daarginds’, ‘daar buiten’ zou zijn, tot wie men zich richt als tot de ‘oude grootvader van de hemel’, en die de wereld regeert als een ‘hemelse dictator’. Robinson beroept zich daarbij op Dietrich Bonhoeffer en zelfs nog meer op Paul Tillich, een welbekend professor aan het Union Theological Seminary te New York. Volgens Tillich is God niet een projektie ergens buiten onszelf en onze geschapen wereld, ‘een Ander’ buiten het luchtruim, van wiens bestaan wij onszelf moeten overtuigen, maar hij is de Grond van ons wezen. 197

Tillich spreekt hier van ‘de oneindige en onuitputtelijke diepte en grond van elk bestaan’. Want, voegt Robinson eraan toe, ‘het woord God betekent de laatste diepte van ons hele wezen, de grond en zin van ons hele bestaan’. Martin Buber, een tegenwoordig populair Joods filosoof drukte het als volgt uit: ‘Als iemand die de naam van God verafschuwt en meent dat hij atheïst is, zich met zijn hele wezen wijdt aan de dialoog met de ‘Gij’ van zijn wezen, als met een ‘Gij’ die niet door een ander beperkt kan worden, dan richt hij zich tot God’.198 Betekent deze manier van denken niet het einde van het ‘Theïsme’ (volgens Koenen en Endepols ‘de leer van het bestaan van één God als opperwezen en als eerste oorzaak of als Schepper dezer eindige wereld)? Robinson antwoordt: ‘Inderdaad, zij gedoogt niet de zegswijze ‘een persoonlijk God’ te gebruiken, want zij staat vreemd tegenover de ge­dachtenwereld waaruit deze uitdrukking stamt’. Te zeggen dat ‘God persoonlijk is’ betekent dat ‘de werkelijkheid op het allerdiepste vlak persoonlijk is’ ... Als dat waar is zijn de theologische stellingen dus niet een beschrijving van ‘het Opperwezen’, maar een analyse van de diepten van persoonlijke verhoudingen - of, liever gezegd, een analyse van de diepten van elke ervaring ‘geïnterpreteerd door de lief­de’.199 Daaruit volgt, dat Feuerbach (een Duits filosoof) werkelijk gelijk had toen hij de ‘theologie’ in ‘antropologie’ wilde veranderen (hetgeen Bultmann, in zijn antwoord aan Karl Barth, beweerde dat hij ook probeerde te doen!).

Over Jezus Christus zegt Robinson nog, dat de traditionele wijze waarop men hem voorstelt ook mythologisch is: ‘Een God in de vorm van een mens ... Hij ging door voor een mens ... maar eigenlijk was hij God die zich verkleed had als mens - zoals het kerstmannetje. Ik ben mij ervan bewust dat dit een parodie is ... en zeer waarschijnlijk een beledigende parodie; maar ik denk, dat het de waarheid gevaarlijk dicht nadert ... Het hele begrip van ‘een God’ die de aarde ‘bezoekt’ in de persoon van ‘Zijn Zoon’ is net zo mythologisch als de prins uit het sprookje ... Het geloof, dat wij door deze persoon (Christus neder­gedaald uit de hemel, die de aarde bezoekt als een prins uit het sprook­je) in contact komen met God, is hoe langer hoe meer de zaak van een religieuze minderheid die nog altijd bereid is de oude mythologie als waar te aanvaarden.2oo Het Nieuwe Testament op deze manier geïn­terpreteerd, heeft nooit gezegd, dat Jezus Christus de Zoon van God was, en men weet niet of Hij Zelf beweerd heeft de Zoon van God te zijn. De leer van de verlossing is niet, zoals de supranaturalisten het zien (zij die geloven in het bovennatuurlijke) een zeer mythologische en nogal vage transactie tussen ‘God’ aan de ene kant en de ‘mens’ aan de andere kant. Vooral de opvatting dat de Vader de Zoon heeft gestraft in onze plaats is in ieder geval een verdraaiing van wat het Nieuwe Testament leert. Ook al is de inhoud van deze opvatting christelijk(?), de hele voorstelling van een bovennatuurlijk Wezen dat uit de hemel neerdaalt om de mensheid van de zonde te ‘redden’, zoals men zijn vinger in een glas water steekt om een insect te redden dat aan het verdrinken is, is eerlijk gezegd ondenkbaar voor de ‘vol­wassen’ mens die niet meer gelooft in een dergelijke deus ex machina. Hetzelfde geldt ook voor de mythen van Kerstmis en van de opstan­ding’.201

Laten we de analyse van deze wartaal hier beëindigen. Het laat ons op de meest bedroevende wijze zien, dat iemand bisschop kan zijn van een kerk die aangesloten is bij de Wereldraad van Kerken, of een in Europa en Amerika beroemd theoloog, en toch volledig de boodschap en het gezag van de Heilige Schrift ontkennen. Als de Schrift niet meer de onfeilbare uitdrukking van de geopenbaarde waarheid is, dan kan de mens, al beweert hij godsdienstig te zijn en is hij doctor in de theologie, niet anders dan meegevoerd worden door allerlei wind van leer om ten­slotte afvallig te worden van het geloof.



God is dood. Nadat zij de mythe van een God in de hemel verworpen hebben, heeft een groep Amerikaanse professoren in de theologie èn leken beroemdheid verworven door te verklaren dat de God van de Bijbel, de schepping en de geschiedenis dood is.

In de vorige eeuw uitte Nietzsche, kort voordat hij volkomen krank­zinnig werd, deze wanhoopskreet: ‘God is dood!’ Tegenwoordig zijn er doopsgezinden, episcopaalse-anglicanen en methodisten die zich ‘chris­telijke atheïsten’ noemen. Wij moeten inzien dat de dood van God een historisch feit is, zeggen zij. God is dood in onze tijd, in onze geschiedenis en in ons bestaan. In Look Magazine van 22 februari 1966 verklaarde een Episcopaalse bisschop op zijn beurt, dat hij de Drieëenheid, de menswording en de wonderbare geboorte van Christus had verworpen. Hij had bovendien de voorstelling van God als Opper­wezen prijsgegeven, evenals de begrippen gebed, wonderen en god­delijkheid van Christus. Toch bleef hij bisschop! Billy Graham vermeldt een en ander vergezeld van het volgende commentaar: ‘De mensen zeggen niet dat wij dood zijn voor God; zij zeggen werkelijk dat God Zelf dood is. Deze radicale en belachelijke beweringen zijn slechts symptomen van wat er zich vandaag in vele van onze christelijke universiteiten en seminaries voordoet . ..’202



De mens is God. De bovengenoemde stroming kan niet worden ont­kend of belachelijk worden gemaakt. Zij ligt ten grondslag aan geheel de geweldige beweging die sedert de zondeval de mens steeds verder weg voert van de kennis en de aanbidding van God, naar de verheer­lijking en de aanbidding van het schepsel (Rom. 1:18-25). De verraderlijke belofte van de verleider is steeds dezelfde: ‘Gij zult als God zijn!’ (Gen. 3:1, 5). De mens is, zoals Buffon heeft gezegd, een godsdienstig dier. Hij onderscheidt zich van het dier door zijn ver­mogen om te geloven en te aanbidden. Als hij de Schepper en Zijn Woord verlaat, dan zal hij zich noodzakelijkerwijs valse goden maken, totdat hij tenslotte zichzelf zal aanbidden in de persoon van de Anti­christ. Nietzsche’s supermens, de mens ‘die goddelijk is in het diepst van zijn wezen’, is slechts een voorafschaduwing van de superdictator die zich weldra zal laten aanbidden door allen die op aarde wonen (2 Thess. 2:3-12; Openb. 13:8). Op politiek gebied is de verheerlij­king van mensen als Hitler, Stalin en Mao Tse-Tung zo groot, dat het bijna of helemaal aanbidding is. Op godsdienstig en theologisch terrein, heerst er, buiten de onwankelbare rots van de volledig geïnspi­reerde Schrift, een zeer verontrustende verwarring. Het zou ons dus niets verbazen als een omvangrijk syncretisme tenslotte erop zou uitlo­pen, dat op de hele aarde de godsdienst van de mens van het grote Babylon zich vestigt, waarvan de profeten zo duidelijk hebben ge­sproken.


Dostları ilə paylaş:
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə