Inspiratie en het gezag van de Bijbel


Deel III De inspiratie HOOFDSTUK I Definitie van inspiratie en algemene opmerkingen



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə5/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

Deel III

De inspiratie

HOOFDSTUK I

Definitie van inspiratie en algemene opmerkingen


I. DEFINITIE.

De openbaring is de daad waardoor God Zich doet kennen aan Zijn schepselen.



Inspiratie (in de beperkte zin van het woord, zoals het in dit boek onderwerp van behandeling is) is de beslissende invloed die de Heilige Geest uitoefende op de schrijvers van het Oude en het Nieuwe Testa­ment, opdat zij op een juiste en authentieke wijze de boodschap zoals ze die van God hadden ontvangen zouden verkondigen en opschrijven. Deze invloed heeft hen geleid, zelfs in het gebruik van hun woorden, teneinde hen voor iedere vergissing en nalatigheid te behoeden. (De kwestie van de onjuistheden die door kopiisten in de tekst zijn geko­men wordt behandeld in deel III, hoofdstuk XII). Een dergelijke inspi­ratie werd eveneens aan de bijbelschrijvers verleend met betrekking tot gebeurtenissen of feiten die hun reeds bekend waren zonder een speciale openbaring, opdat zij deze zouden vertellen zoals God dat wilde.

‘De Bijbelse inspiratie is dat werk van de Heilige Geest waardoor Hij op mysterieuze wijze de menselijke geest van de schrijvers van de bijbel vervulde en hen zo leidde en bestuurde, dat er een onfeilbaar en geïnspireerd werk ontstond, een gewijde tekst, een boek van God, waar­mee de Geest van God voor altijd organisch verbonden blijft’.3

II. DE KLASSIEKE TEKST, 2 Tim. 3:16-17, en wat zij ons leert over dit onderwerp:

1. Elk schriftwoord is van God ingegeven, in het Grieks theopneustos, letterlijk: van God uitgeblazen (en niet ‘ingeblazen’, geïnspireerd), voortgebracht door de leven-wekkende adem van God, uit Hem afkomstig, door Hem gesproken. B. B. Warfield gaat zelfs zo ver dat hij zegt dat de term ‘inspiratie’ als zodanig niet in de Bijbel voorkomt. De schrijvers van de Bijbel werden gegrepen door het initiatief van de Here en gedragen door Zijn onweerstaanbare kracht, die niet de Schriften in iemand of iets inblies, maar die ze rechtstreeks uit Zijn mond deed voortkomen.4

De schepping, dat andere grote ‘boek’ van God, kwam op dezelfde manier tot stand: ‘Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door den adem van Zijn mond al hun heir’ (Ps. 33:6). Flavius Josephus, een Joodse geschiedschrijver en tijdgenoot van Paulus zegt in zijn eerste boek, ‘Tegen Apion’, dat de profeten die verantwoorde­lijk waren voor de tweeëntwintig gewijde boeken (van het Oude Testa­ment) schreven volgens de ‘pneustia’ die voortkomt uit God (1, 7). Dus elk schriftwoord is overal en helemaal van God, ofschoon het is geschreven door en voor de mens.

2. Hoe moet 2 Tim. 3:16 vertaald worden? Moet de vertaling luiden ‘Elk schriftwoord is van God ingegeven en is nuttig...’ of ‘Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig...’?

We moeten ons realiseren dat in het Grieks het woord ‘is’ hier stil­zwijgend wordt bedoeld, terwijl onze taal eist dat we het ergens invoe­gen. In overeenstemming met het eigenaardige karakter van de oor­spronkelijke taal, is men gewoon dit werkwoord te plaatsen op de manier waarop dat gedaan is in elk van de volgende verzen in het Nieuwe Testament, die allemaal op precies dezelfde wijze geconstru­eerd zijn:

Romeinen 7:12: ‘Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed’ (niet ‘Het heilige gebod is ook rechtvaardig en goed’).

2 Cor. 10:10: ‘Zijn brieven ... zijn wel gewichtig en krachtig’ (niet: ‘zijn gewichtige brieven zijn ook krachtig’).

1 Tim. 1:15: ‘Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard’ (niet: ‘het getrouwe woord is ook alle aanneming waard’).

1 Tim. 2:3: ‘Dit is goed en aangenaam voor God, onzen Heiland’ (niet: ‘Dit is goed en ook aangenaam voor God, onzen Heiland’).

Hebr. 4:13: ‘Alle dingen liggen open en ontbloot’ (niet: ‘Alle open dingen liggen ook ontbloot’).

(Zie ook in het Grieks 1 Cor. 11:30; 1 Tim. 4:4, 9). Dus de vol­gende vertaling is bepaald de juiste:

2 Tim. 3:16: ‘Elk schriftwoord is van God ingegeven en is nuttig...’ Na dit gezegd te hebben, willen we vervolgens nog vaststellen, dat de vertaling ‘Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig’ in feite niets anders zou betekenen, want het is duidelijk:

3. ‘Elk schriftwoord’, of ‘de hele schrift’ is van God ingegeven; dit betekent, in het tekstverband, het gehele Oude Testament, ‘de heilige schriften’ waarover Paulus spreekt in vers 15. Hetgeen hier wordt gezegd over het Oude Testament zonder enige beperking, geldt duide­lijk ook voor elk schriftwoord uit het Nieuwe Testament (zie Deel III hoofdst. V).

4. Het schriftwoord, de tekst zelf, is volgens Paulus van God inge­geven. Dit is voor ons van essentieel belang, want wat voor nut zouden de goddelijke openbaringen die de schrijvers van de bijbel ontvangen hadden voor ons hebben, als zij die niet op een volkomen zekere en authentieke wijze op schrift hadden kunnen stellen? We weten dat bijvoorbeeld Bileam, David en Petrus helemaal niet onfeilbaar waren, noch in woorden, noch in daden, als zij niet door God geïnspireerd werden (Num. 22:24; 2 Sam. 1l; 24:1-11; Gal. 2:11-14). Als God alleen maar de gedachten in het verstand van de schrijvers had inge­geven, dan zou er vandaag de dag niets van de boodschap zijn over­gebleven, want de mannen zijn al lang geleden gestorven.

5. Elk schriftwoord is nuttig. Dit ligt voor de hand. Het is nuttig, omdat het van God ingegeven is, en het is van God ingegeven om nuttig te zijn. Zelfs de minst gelezen bladzijden en boeken in de bijbel hebben hun plaats, en we mogen er niets aan toevoegen of er iets van weglaten (Deut. 4:2; Openb. 22:18-19). Wij zijn geneigd ons tevreden te stellen met een paar bij voorkeur geliefde schriftgedeelten, met bepaalde verzen die we hier en daar uitlichten. Toch heeft het allemaal waarde zoals het er staat in de context: de geslachtsregisters en de naamlijsten zijn geschiedkundig gezien bijzonder waardevol; de rituele wetten in Exodus en Leviticus onderwijzen door uitbeelding hoe een zondaar in gemeenschap met de heilige God kan komen (het­geen de brief aan de Hebreeën verklaart); het boek Prediker laat ons zien, dat aardse wijsheid en goederen volkomen onvoldoende zijn; de profeten tonen ons de ontwikkeling van het plan van God aan; de donkere bladzijden van de geschiedkundige boeken laten ons de ernst van de zonde, het oordeel van God en de absolute noodzaak van red­ding zien; en de brieven zijn onmisbaar om ons de samenhang te doen zien tussen de christelijke leer en het leven van de kerk en van de gelovige, enz.

Volgens 2 Tim. 3:16-17, is de hele bijbel nuttig, ‘om te onderrich­ten’, dat wil zeggen, om het fundament te leggen voor de goddelijke waarheid. ‘De studie en meditatie van deze bladzijden is de beste cursus in theologie en godsdienst’ (A. Monod). ‘Uit den hemel heeft Hij u Zijn stem doen horen om u te vermanen’ (Deut. 4:36). ‘Welzalig de man... dien Gij onderwijst uit Uw wet’ (Ps. 94:12). ‘Al wat namelijk te voren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven’ (Rom. 15:4); ‘om te overtuigen’ (hetzelfde woord als in Joh. 16:8): om overtuiging teweeg te brengen, en om de dwaling, die ernstiger is dan onwetend­heid, te weerleggen en weg te nemen. Het verstand van de mens is verduisterd en zijn hart is verhard (Ef. 4:18); de kracht van het goddelijk woord is nodig om zijn ogen te openen en hem van de waar­heid te overtuigen (Jer. 23:29; Hebr. 4:12);

‘om te verbeteren’: om een dwalend kind van God terug te brengen op het rechte pad en om hem te waarschuwen en hem te berispen met de liefde en het gezag van de Heer Zelf. De mens raakt zo gemakkelijk van het rechte pad af, zowel in de moraal als in de leer. Net als een jonge boom heeft hij een sterke stut nodig om hem rechtop te houden. Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar Uw woord. Ik berg Uw woord in mijn hart, opdat ik tegen u niet zondige’ (Ps. 119:9, 11); ‘om op te voeden ... in de gerechtigheid’: om de gelovige op te bouwen en hem te grondvesten door die geestelijke opvoeding die hem zal brengen tot de volkomen gestalte van Christus. De Schrift zal zowel zijn denken als zijn karakter vormen; zij geeft zijn leven een diepe zin en een levensbeschouwing voor heel zijn bestaan. ‘Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden ... Ik ben verstandiger dan al mijn leer­meesters, want uw getuigenissen zijn mij tot overdenking. Het openen van Uw woorden verspreidt licht, het geeft den onverstandigen inzicht (Ps. 119:98-99, 130). ‘De heilige schriften... kunnen u wijs maken tot zaligheid’ (2 Tim. 3:15);

opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toe­gerust’. Dit is het doel van de Schrift: ons tot het heil te brengen door de kennis van de Here, een ieder van ons tot een mens Gods te maken, een volkomen en verantwoordelijke persoonlijkheid (vgl. Jac. 1:4), die door zijn leven en zijn werken het bewijs geeft van het goddelijk karakter van de openbaring die hij heeft ontvangen.

III. HET ONVERKLAARDE EN NIET TE VERKLAREN WONDER VAN DE INSPIRATIE.

Hoeveel kunnen we op zijn minst genomen weten over de werking van de inspiratie?

1. De oorsprong van de inspiratie, volgens 1 Cor. 1 en 2:

a. Er is een gedachte van de Here, een mysterieuze, verborgen en eeuwige wijsheid van God (2:7, 16).

b. De ongeestelijke mens, verblind door zijn zonde, kan die verstaan, noch aanvaarden. Voor hem is het Evangelie zowel een dwaasheid als een aanstoot. (2:14, 9; 1:18, 23).

c. God openbaart ons uit eigen beweging door de Heilige Geest Zijn persoon en Zijn heil. Hij heeft deze openbaring bereid voor hen die Hem liefhebben (2:9-12).

d. Nu we deze wonderbare genade ontvangen hebben, kunnen we erover vertellen en haar bekend maken. Paulus deed dit monde­ling, toen hij het woord van God predikte (1 Thess. 2:13), maar ook door de boodschap op schrift te stellen (4:8, 15; 1 Cor. 14:37). De apostelen werden duidelijk geleid in deze bediening (dit komt zelfs nog duidelijker tot uitdrukking in wat ze schreven dan in wat ze zeiden): hun verhandeling (logoi, in het Grieks, letterlijk: ‘hun woorden, de manier waarop ze zich uitdrukten’) was hun geleerd door de Geest Gods (1 Cor. 2:13).

e. De geestelijke mens, dat wil zeggen degene die is wedergeboren en onderdanig is aan de Geest van God, kan deze geïnspireerde taal verstaan. Hij kent haar en kan haar beoordelen: hij heeft aldus de zin van Christus (vv. 14-16).

2. De uitspraken van de apostel Petrus. Petrus sprak op gelijke wijze

over de manier waarop de schrijvers van het Oude Testament waren geïnspireerd (1 Petr. 1:10-12; 2 Petr. 1:19-21; het woord profeet wordt hier gebruikt in de wijde zin van ‘tolk’ van de openbaring).

a. Christus, het Lam van God, was van te voren bestemd, voor de grondlegging der wereld, om de Leidsman van ons heil te worden (1 Petr. 1:10, 19-20).

b. De Heilige Geest, geschonken aan de profeten (Hij ‘was in hen’), openbaarde hun de tijd en de omstandigheden van de komst van de Messias en ook Zijn lijden en al de heerlijkheid daarna (v. 11), want hierin ligt de centrale en de wezenlijke boodschap van de Schrift.

c. Deze openbaring ging verder dan de profeten: omdat ze beseften dat anderen de vervulling van dit heil zouden zien, speurden zij deze dingen van te voren ijverig na.

d. De aankondiging van het werk van Christus is voor de engelen en de bewoners van de hemelse gewesten een onderwerp van verba­zing en bewondering (v. 12; Efz. 3:10).

e. Door de Heilige Geest gedreven hebben de profeten van Godswege gesproken (2 Petr. 1:21); zij dienden ons in deze dingen (1 Petr. 1:12); dat wil zeggen, zij brachten ze aan ons over door middel van hun geschriften.

f. De boodschap van de vroegere profeten (in het Oude Testament) is in wezen gelijk aan het Evangelie (in het Nieuwe Testament), thans verkondigd met de kracht van dezelfde Heilige Geest (v. 12; 1 Thess. 1:5).

We kunnen de behoedzaamheid en de soberheid van de Schrift alleen maar bewonderen. Zij bevestigt voortdurend het wonder van de in­spiratie; maar Paulus, Petrus of iemand anders onthulden nooit hoe dit gebeurde, of op welke manier en in welke mate God invloed uitoefende op de bijbelschrijvers. Dus we zijn net zo min gemachtigd dit gehei­menis uit te leggen als de geheimenissen van de menswording van Jezus Christus, de wedergeboorte van de gelovige, of de schepping van het heelal. Toch zal een beschouwing van enkele concrete feiten uit de bijbel ons helpen om bepaalde aspecten van de goddelijke daad te begrijpen.

IV. HOE SPRAK GOD TOT ZIJN PROFETEN?

‘Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen

gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in den Zoon’. (Hebr. 1:l). Het is steeds dezelfde God die spreekt zowel in het Oude Testament als in de Evangeliën.

Laten we zien op welke verschillende manieren Hij dat deed.

1. Een beslissende ontmoeting met God kenmerkt meestal het begin



van de loopbaan van een profeet. Deze ontmoeting bewijst, dat het de Here is die het initiatief neemt en die Zijn instrument uitkiest en voor­bereidt zelfs nog voordat Hij hem Zijn boodschap meedeelt.

Mozes zei, bij de brandende braamstruik, dat hij geen man van het woord was. God sprak tot hem: ‘Wie heeft den mens een mond gegeven? ... Ga heen, Ik zal met uw mond zijn en u leren wat gij spreken moet ... Aäron ... zal voor u tot het volk spreken; ... hij zal u tot een mond zijn, en gij zult hem tot God zijn’ (Exodus 4:11-16).

Samuël: ‘Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk ... Samuël nu kende den Here nog niet; nog nooit was hem een woord des Heren geopenbaard’. De Here riep Samuël drie keer en Samuël antwoordde Hem, ‘Spreek, want Uw knecht hoort ... Samuël ... liet geen van Zijn woorden ter aarde vallen ... de Here openbaarde Zich in Silo aan Samuël (1 Sam. 3).

Jesaja zag de Here in Zijn heiligheid. Een seraf reinigde zijn lippen met een gloeiende kool van het altaar. De profeet schreef: ‘Ik hoorde de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij. Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk...’ (Jes. 6:1-9).

Jeremia: ‘Het woord des Heren nu kwam tot mij: Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend ... Ik heb u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld ... Alles wat Ik u gebied, zult gij spreken ... Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond’ (Jer. 1:4-9). ‘Ik maak Mijn woorden in uw mond tot vuur en dit volk tot hout en het zal hen verteren’ (5:14). De profeet antwoordde: ‘Weet, dat ik om Uwentwil smaad draag. Zo vaak Uw woorden gevonden werden, at ik ze op, Uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten’ (15:15-16). Toen gaf de Here hem deze belofte: ‘Indien gij uitspreekt wat waarde heeft, zonder vermetele taal, zult gij als Mijn mond zijn’ (v. 19).

Ezechiël: ‘Hij zeide tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten . . Neem al de woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart op en hoor ze aan met uw oren. Ga ... spreek tot hen ... of zij het horen dan wel het nalaten ... Zeg hun: Zo zegt de Here HERE...’ De Here liet hem symbolisch de rol eten waarop de boodschap die hij moest brengen geschreven stond en deze was tegelijkertijd zoet en bitter (Ezech. 2:3-3:11).

Amos: ‘Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en kweker van moerbeivijgen. Doch de Here nam mij achter de schapen vandaan, en de Here zeide tot mij: Ga heen, profeteer tegen mijn volk Israël’ (7:14-15).

Paulus: Tegen hem zegt Ananias: ‘De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen en den Rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen; want gij moet getuige voor Hem zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt’ (Hand. 22:14-15). De apostel voegt er zelf aan toe: ‘Maar toen het Hem, die mij van den schoot mijner moeder aan afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagd had, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogen­blik te rade gegaan met vlees en bloed’ (Gal. 1:15-16).

Johannes: ‘Ik kwam in vervoering des geestes op den dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem, ... zeggende: Hetgeen gij ziet, schrijf het in een boek en zend het aan de zeven gemeenten. Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen ge­schieden zal’. (Openb. 1:10-11, 19). Johannes moest ook ‘een boek eten’: toen werd hem gezegd: ‘Gij moet wederom profeteren over vele natiën en volken en koningen’ (10:8-11).

Christus Zelf, het Woord dat vlees is geworden, krijgt de boodschap van Zijn Vader. Jesaja zegt over Hem: ‘De Here ... maakte mijn mond als een scherp zwaard’ (49:1-2). De Here HERE heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord den moede te kunnen onder­steunen. Hij wekt elken morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen’ (50:4). Iets verder spreekt God opnieuw tot Zijn dienstknecht: ‘Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd ... Ik, die den hemel uitspan en de aarde grondvest’ (51:16). Jezus verklaart Zijnerzijds uitdrukkelijk: ‘Ik doe niets uit Mijzelf, doch Ik spreek dit, gelijk de Vader Mij geleerd heeft’. (Joh. 8:28). Toen sprak Hij tot Zijn Vader: ‘De woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gege­ven en zij hebben ze aangenomen … en zij hebben Uw woord be­waard’ (17:8, 6).

2. De inspiratie werd door God verleend op een volstrekt soevereine manier. In elk geval is de inspiratie niet blijvend, want de Geest spreekt en doet mensen schrijven, wanneer en zoals het Hem behaagt. We lezen bijvoorbeeld dikwijls het volgende:

het Woord des Heren kwam tot Jeremia ten tijde van Josia, in het dertiende jaar van diens regering (Jer. 1, 2),

met betrekking tot de grote droogte (14:1),

in het vierde jaar van Jojakim (25:1),

in het begin der regering van Jojakim (26:1),

in het begin der regering van Zedekia (28:1),

na de aanval van Nebukadrezar (34:1),

in de gevangenhof (39:15), enz.

Habakuk drukte zich als volgt uit: ‘Ik wil gaan staan op mijn wacht­toren en mij stellen op den wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht. Toen ant­woordde de Here mij: Schrijf het gezicht op’ (2:1-2).

De profeten spraken dus niet zoals en wanneer zij dat wilden, noch op vaste tijden. Zij wachtten totdat zij een boodschap van boven ont­vingen. God sprak rechtstreeks met Mozes, ‘van mond tot mond’ (Num. 12:6-8). Maar Hij kon Zich ook openbaren in een droom, zoals bij Daniël (7:l): in een gezicht (8:1); door het zenden van een engel (9:21-22; 10:5-11) of, bij wijze van uitzondering, in een extatische ervaring (2 Cor. 12:2-4; Openb. 1-10).

3. In het algemeen bleef de bijbelschrijver volkomen die hij was, zelfs zo, dat hij in een dialoog trad met de Here, en Hem vragen stelde en Hem op de hoogte stelde van zijn reacties (Jes. 6:11; Jer. 14:13; 15:15; Ezech. 9:8; 11:13, enz.). Daniël is doodsbang bij het zien van zijn gezichten; maar zij werden hem onmiddellijk uitgelegd (Dan. 7:15-16, 19, 28; 8:15-16, 26), tenzij hij de opdracht krijgt de bood­schap voorlopig te verzegelen (8:26; 12:4, 9; Openb. 10:4).

4. Het gebeurde ook vaak - of de schrijver zich dit nu bewust was of niet, - dat de boodschap zijn begrip ver te boven ging. We hebben dit zojuist gezien in het geval van Daniël (bijv. 12:8-9). Hoe het ook zij, de verborgen wijsheid Gods ‘is in geen mensenhart opgekomen’ (1 Cor. 2:9); de openbaring van Zijn plannen voor het heden, en nog meer die voor de toekomst, kan zelfs de meest geestelijke mens versteld doen staan. De profeten beseften, dat anderen de vervulling van hun boodschap zouden zien en zij zouden er natuurlijk graag zelf meer over hebben willen weten (1 Petr. 1:10-12). Dit is de reden waarom Jezus tot Zijn discipelen sprak: ‘Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet. Want Ik zeg u: Vele profeten en koningen hebben willen zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en horen, wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord’ (Lucas 10:23-24). In Psalm 22 be­schreef David uitvoerig iets dat hij niet kon begrijpen: de zielesmart van de kruisiging (vv. 1-3, 7-9, 15-19), een vorm van straf die de Joden niet kenden en die pas kort voor het begin van onze jaartelling door de Romeinen in Palestina werd ingevoerd. Begreep hij geheel de Messiaanse betekenis van zijn woorden in Psalm 16:8-10? Het was vanzelfsprekend gemakkelijker voor Petrus en Paulus om in dit schrift­gedeelte een profetie van de opstanding van Christus te herkennen dan voor hem (Hand. 2:24-31; 13:35-37).

Daniël ontving en schreef woorden die duidelijk niet voor hem of voor zijn tijd waren. Hij zei: ‘Ik hoorde het wel, maar ik begreep het niet’. Als antwoord kreeg hij deze opdracht ‘Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot den eindtijd’ (12:8-9).

Hetzelfde geldt zelfs nog meer voor hen die, zonder het te weten, bestemd waren om te gelden als typen van Christus en van Zijn werk: Adam, het beeld van Hem die zou komen (Rom. 5:14); Hagar en Sara die de twee verbonden vertegenwoordigden (Gal. 4:22-26); Aäron, het beeld van Christus Jezus, onze hogepriester (Hebr. 7-10). Deze mensen waren, ieder op zijn eigen manier, instrumenten van een openbaring waarvan zij de draagwijdte niet konden beseffen.

Dit alles laat zien, dat, ofschoon het menselijke instrument een rol speelt in het overbrengen van de boodschap, het de Auteur van de openbaring is die verreweg de belangrijkste plaats inneemt.

5. De inspiratie werd soms geheel en al dwingend gegeven. Jeremia b.v. probeerde tevergeefs de taak te weerstaan, die de Here hem op­legde, n.l. de verschrikkelijke tijding die hij Israël moest brengen ‘Gij hebt mij overreed, Here, en ik heb mij laten overreden; Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht. Ik ben tot een bespotting geworden den gansen dag ... Want telkens wanneer ik spreek, moet ik het uit­schreeuwen, van geweld en onderdrukking roepen; want het woord des Heren is mij geworden tot smaad en spot den gansen dag. Maar zeide ik: Ik wil aan Hem niet denken en in Zijn naam niet meer spreken, dan werd het in mijn hart als brandend vuur ... wel matte ik mij af om het in te houden, maar ik kon het niet’ (Jer. 20:7-9). Vanaf het moment dat Hij hem riep, waarschuwde God de profeet: ‘Alles wat Ik u gebied, zult gij spreken. Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond’ (1:7,9).

Bileam, die gekomen was om het volk te vervloeken, werd letterlijk gedwongen het te zegenen. De engel sprak tot hem: ‘Ga ... doch alleen het woord, dat Ik tot u spreken zal, zult gij spreken’. Toen Balaks toorn tegen hem ontbrand was, antwoordde Bileam: ‘Ik ben niet in staat het bevel des Heren te overtreden door goed of kwaad te doen uit mijzelf; wat de Here spreken zal, dat zal ik spreken’ (Num. 22:35; 24:13).

Kajafas sprak ook niet uit eigen wil toen hij profeteerde, dat Jezus voor het volk moest sterven. In die omstandigheden heeft God gewild dat nu juist de hogepriester een dergelijke uitspraak zou doen, ofschoon hij een ongelovige was (Joh. 11:51).

Inderdaad is geen enkele profetie ooit voortgekomen uit de wil van een mens (2 Petr. 1:21).

6. De schrijver had soms zelfs geen vermoeden, dat God invloed op hem uitoefende. Besefte de getrouwe geschiedschrijver Lucas, toen hij zijn documenten verzamelde en de ooggetuigen ondervroeg, dat zijn relaas in de Heilige Schrift zou worden opgenomen? Meestal stelde hij eenvoudigweg feiten op schrift die hem bekend geworden waren zonder enige bovennatuurlijke openbaring. Maar de inspiratie leidde hem in de keuze van deze feiten, in het verstaan van de betekenis van die feiten en zelfs in het weglaten van zaken die niet door de Heilige Geest waren uitgekozen. Hetzelfde kan worden opgemerkt met betrek­king tot de schrijvers van de andere geschiedkundige boeken van de bijbel. Kortom, we kunnen zeggen dat iemand gegrepen kon worden door de profetische inspiratie

- zonder dat hij dit voorzag, zoals de oude profeet van 1 Kon. 13:20 - zonder dat hij het wist, zoals Kajafas, Joh. 11:51

- zonder het te willen, zoals Bileam, Num. 23:24

- zonder het te begrijpen, zoals Daniël, Dan. 12:8-9.

7. In wezen kent de goddelijke inspiratie geen graden. Zij is altijd volmaakt en volledig. Zoals we zojuist hebben gezien, werd Bileam evenzeer door de Geest beheerst als David, toen hij uitriep: ‘De Geest des Heren spreekt door mij, Zijn woord is op mijn tong’ (2 Sam. 23:2). De profetie van Kajafas, de hogepriester (Joh. 11:51), was precies even nauwkeurig en bovennatuurlijk van oorsprong, als de openbaringen van de apostel Paulus (Efz. 3:3, 5).

‘Er zijn graden van verlichting; maar bij de inspiratie is er geen sprake van graden. Een profeet wordt op mindere of meerdere wijze verlicht door God; maar zijn woord is niet óf meer óf minder geïnspireerd. Het is geïnspireerd, of niet. Het is van God, of het is niet van God. Er is daarin geen maat, geen graad, geen toename noch vermindering. David werd verlicht door God; Johannes de Doper in meerdere mate dan David; een eenvoudige christen mogelijkerwijs in meerdere mate dan Johannes de Doper; een apostel was meer verlicht dan die christen en Jezus Christus meer dan die apostel. Maar het geïnspireerde woord van David, ja zelfs het geïnspireerde woord van Bileam, is het woord van God, net zoals de geïnspireerde woorden van Johannes de Doper, en van Paulus, en van Jezus Christus! Het is het Woord van God.5

8. De profeten hadden volstrekte zekerheid dat zij de eigen woorden van God overbrachten. Mozes herhaalt alleen al in het boek Leviticus meer dan vijftig keer een uitdrukking als ‘De Here sprak tot Mozes’ ... ‘Hij sprak tot hem en zeide: Spreek tot de kinderen Israëls en zeg hen...’ Afgezien van een twaalftal verzen in hoofdstuk 10 en 24 bevestigt de auteur van het boek Leviticus, dat het niets anders bevat dan de woorden van God die door Mozes voor zijn volk op schrift zijn gesteld.



David, zoals we zojuist hebben gezien, roept uit: ‘De Geest des Heren spreekt door mij, zijn woord is op mijn tong’ (2 Sam. 23:2).

Jeremia gebruikt voortdurend een uitdrukking zoals: ‘Het woord des Heren kwam tot mij: ... ‘Toen sprak de Here tot mij ...’ Zo zegt de Here...’

Paulus aarzelt niet om te zeggen: ‘Gij hebt het gepredikte woord Gods aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God’ (1 Thess. 2:13).

Johannes verklaart plechtig: ‘Openbaring van Jezus Christus ... aan Zijn dienstknecht Johannes. Deze heeft van het woord Gods ge­tuigd ... Dit zegt de Zoon Gods ... Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt ... Dit zijn de waarachtige woorden van God’ (Openb. 1:1-2; 2:18, 29; 19:9).

Wij zullen later meer in bijzonderheden terugkomen op deze aller­voornaamste vraag: Is de bijbel het woord van God? (zie Deel III hoofdstuk IV).


HOOFDSTUK II



Dostları ilə paylaş:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə