Inspiratie en het gezag van de Bijbel


Verschillende inspiratietheorieën



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə6/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

Verschillende inspiratietheorieën


De voornaamste vier opvattingen omtrent de Heilige Schrift zijn:

1. Zij is slechts een opmerkelijk menselijk boek zonder goddelijke inspiratie.

2. Zij is gedeeltelijk door God geïnspireerd.

3. Zij is alleen maar goddelijk, zonder enig menselijk toevoegsel.

4. Zij is tegelijkertijd goddelijk en menselijk, omdat God de schrijvers die in Zijn naam spraken volledig heeft geïnspireerd.

De eerste drie van deze opvattingen worden in dit hoofdstuk behandeld en de vierde in een ander hoofdstuk.

I DE BIJBEL IS SLECHTS EEN OPMERKELIJK MENSELIJK BOEK ZONDER GODDELIJKE INSPIRATIE

Zoals geniale kunstenaars, schrijvers, dichters, en musici ongeëvenaarde meesterwerken hebben kunnen scheppen, hebben godsdienstgenieën ook de bijbel kunnen produceren. Begiftigd met de uitzonderlijke intuïtie van grote zieners, konden zij geschriften voortbrengen van hetzelfde niveau als de Odyssee van Homerus, de Koran van Mohammed, of de Goddelijke komedie van Dante, de tragedies van Shakespeare en de heilige boeken van de Hindoes.

De bijbel is misschien het grootste van al deze werken, een uniek document uit de oudheid, het meest universele boek der mensheid. Maar hij is feilbaar zoals elk menselijk werk en is niet het directe re­sultaat van een goddelijke tussenkomst.

Deze theorie van de ‘natuurlijke inspiratie’, ontkent in werkelijkheid dat de bijbel echt geïnspireerd is. Omdat zij de menselijke schrijver verheerlijkt en God uitsluit, is zij in feite een uiting van ongeloof. De redeneringen van deze theorie zijn duidelijk onhoudbaar in het licht van de volgende feiten:

De stralende persoonlijkheid van Christus gaat in zijn zuiverheid, liefde, gerechtigheid en volmaaktheid alles te boven wat we ooit in de univer­sele menselijke literatuur kunnen tegenkomen. Waaraan zouden de schrijvers van de evangeliën dan het voorbeeld voor een dergelijke figuur, die nooit ergens ter wereld heeft bestaan, hebben moeten ont­lenen? Rousseau zegt hierover: ‘Men verzint iets niet op zo’n manier’. Om een dergelijke figuur te scheppen, hadden de schrijvers nog ver­hevener dan Hij moeten zijn, want de kunstenaar is altijd groter dan zijn werk. Maar de schrijvers wisten wel, dat ze in geen enkel opzicht zo volmaakt waren als Hij en dat lieten ze ook blijken.

Anderzijds, als de bijbelschrijvers in staat waren zelf de sublieme blad­zijden van de bijbel samen te stellen, dan zouden ze ook andere der­gelijke werken hebben kunnen schrijven. Hoe komt het dan dat ze, aan zichzelf overgelaten, helemaal niets hebben kunnen produceren dat leek op de canonieke boeken?

Er zijn talloze andere blijken van het goddelijk karakter van de Heilige Schrift die we later nog zullen behandelen (zie Deel V, hoofdstuk I); deze zouden allemaal onverklaarbaar zijn geweest zonder een bovennatuurlijke interventie. Om in dit hoofdstuk nog één ding te noemen waaruit het goddelijk karakter van de bijbel blijkt: Hoe had­den de bijbelschrijvers ooit zulke gedetailleerde voorspellingen kunnen doen, die bevestigd zijn door de geschiedenis, als zij geen openbaring van boven hadden ontvangen? Als de bijbel alleen maar het product zou zijn van het menselijk verstand dat zó feilbaar is, dan zou de bijbel in het geheel niet beantwoord hebben aan zijn doel, namelijk om ons onfeilbare kennis van de waarheid te geven.

II DE BIJBEL IS SLECHTS GEDEELTELIJK DOOR GOD GEÏNSPIREERD.

De aanhangers van deze theorie zijn talrijk en vertolken haar op geheel verschillende wijzen:

1. De inspiratie gold alleen maar voor de gedachten van de schrijver, niet voor de woorden die hij gebruikte. God zou slechts de ideeën en de grote richtlijnen van de openbaring hebben ingegeven, maar de mens verder vrij gelaten om deze in zijn eigen taal uit te drukken, zoals hij dat wilde.

In werkelijkheid is het duidelijk, dat ideeën alleen maar kunnen worden ontworpen en overgebracht door middel van woorden. Als de gedachte die aan de mens wordt meegedeeld goddelijk is en het karakter van een openbaring draagt, dan is de vorm waarin zij wordt uitgedrukt van het allerhoogste belang. Het is onmogelijk het een van het ander te scheiden. In een juridisch document kan alles afhangen van één enkele uitdrukking. De beloften en de plechtige uitspraken van de bijbel ontlenen dikwijls hun kracht en hun waarde aan één bepaald woord. De exegetische studie van de bijbel in de oorspronkelijke talen is een minutieus overwegen van de woorden. Als de uitdrukkingen niet geïnspireerd zijn, verliest deze studie haar doel. De bijbel zelf legt de nadruk op de belangrijkheid van de woorden; we zullen op dit punt terugkomen als we de woordelijke inspiratie behandelen. Paulus zegt over de dingen die door Gods Geest geopenbaard zijn: ‘Hiervan spre­ken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door den Geest geleerd zijn’ (1 Cor. 2:13); het Griekse woord hier is logoi, letterlijk vertaald ‘woorden’. Achter dit onderscheid dat gemaakt wordt tussen de geïnspireerde ge­dachten en de woorden die aan de vrije keuze van de mens zouden zijn overgelaten, ligt in werkelijkheid het niet willen aanvaarden van het gezag van de heilige tekst. Degenen die een dergelijke onderschei­ding maken schijnen toe te geven dat God tot de profeten sprak, maar zij vinden dat zij zelf volledig vrij zijn de geschreven boodschap te verwerpen of er veranderingen in aan te brengen. Zij denken, dat zij op deze manier bepaalde moeilijke of onduidelijke punten uit de tekst terzijde kunnen stellen. Maar als werkelijk de uitdrukkingen onjuist of onzeker zijn, dan verdwijnt elke zekerheid dat we Gods gedachten zouden kunnen kennen. Bovendien lost deze irrationele en ongegronde hypothese niets op. Als sommige mensen het moeilijk vinden zich in te denken hoe God de schrijvers leidde in de keuze van de woorden van de bijbel, is het dan makkelijker voor hen om te verklaren hoe Hij de gedachten inspi­reerde?

Toen Mozes een relaas gaf van de schepping van de wereld, toen David duizend jaar van te voren de gebeden van de Zoon van God aan het kruis uitsprak, toen Salomo de Eeuwige Wijsheid deed spreken, toen Daniël een zeer gedetailleerd verslag gaf van gebeurtenissen die in de verre toekomst lagen met betrekking tot de wereld en het volk van God, zonder dat hij ze zelf helemaal begreep, toen onontwikkelde vissers van Galilea de sublieme bladzijden van de Evangeliën schreven, toen Paulus een uiteenzetting gaf van de diepste waarheden van het heil, en, tenslotte, toen Johannes in grootse taferelen de eeuwigheid af­schilderde, was het toen niet nodig, dat ieder woord hun door God gegeven werd?6

De gelovigen begonnen op Pinksteren zelfs plotseling in vijftien ver­schillende talen van de grote daden Gods te spreken, ‘zoals de Geest het hun gaf uit te spreken’ (Hand 2:4-11). Laten we tot besluit een samenvatting geven van enkele opmerkingen van Louis Gaussen: Zij die zeggen dat de gedachten van God af­komstig, maar dat de woorden slechts die van mensen zijn, beginnen onmiddellijk aan de woorden allerlei tegenstrijdigheden, misverstanden en vergissingen toe te kennen. Deze veronderstelde fouten liggen daar­om meer in de gedachten dan in de woorden. We kunnen de twee niet van elkaar scheiden, want een openbaring van de gedachten van God vereist altijd de inspiratie van het Woord van God.

Als de Heilige Schrift geïnspireerd is, dan heeft God voortdurend gewaakt over de uitdrukkingen van de tekst, maar Hij heeft niet altijd de andere gedachten van de schrijver geïnspireerd. Paulus ver­giste zich toen hij tegenover de hogepriester stond, maar niet toen hij het Woord van God sprak, of toen Jezus Christus in hem sprak (Hand. 23:5; 1 Thess. 4:15; 2 Cor. 13:3). Petrus had ongelijk tegenover Jezus Christus en in Antiochië (Matth. 16:22-23; Gal. 2:11-14), maar niet toen hij de uitspraken van God opschreef. Hetzelfde geldt ook voor Bileam, toen zijn slechte gedachten werden omgezet in ge­zegende woorden (Num. 22:6, 38; 23:5). Kortom, inspiratie van de gedachten kan verleend worden aan de gelovige, inspiratie van de woorden maakt iemand tot profeet, inspiratie van het geschrevene is het kenmerkende voor de schrijver van een bijbelboek.

De diepzinnigste redevoeringen van Cyprianus, Augustinus, Luther en Calvijn, zijn slechts de woorden van mensen over de waarheden Gods; eerbiedwaardige, waardevolle en machtige woorden, maar die, zonder de inspiratie te bezitten waarover we spreken, blijven behoren tot de categorie van alleen maar leerredenen.

In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk, dat iemand de woorden van God verkondigt zonder deze zelf te begrijpen: Daniël schreef dingen die nog „verzegeld” waren (12:8-9); Kajafas profeteerde zonder de draagwijdte van zijn uitspraak te beseffen (Joh. 11:51); de oude profeet sprak zonder het te hebben gewild of voorzien (1 Kon. 13:21). Het is dus zo, dat de mensen veel minder belangrijk zijn dan de bood­schap, of deze nu gesproken of geschreven werd. De Here vermocht de persoonlijkheid van de schrijvers, hun geweten, hun geheugen, hun gevoelens te verenigen met hetgeen Hij hen deed zeggen. Maar de hoofdzaak is: ‘nooit is profetie voortgekomen uit de wil van de mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken’. (2 Petr. 1:21).

Of het instrument nu machtig was zoals Mozes, of wijs zoals Daniël, onrein zoals Bileam, een vijand van God zoals Kajafas, heilig zoals Johannes, zonder gestalte zoals de stem van de berg Sinaï, ontastbaar zoals de hand die op de muur schreef in Babylon, - afgezien nu van de noodzaak van de menswording van Christus om de boodschap binnen ons bereik te brengen, - het allervoornaamste is de gedachte en het Woord van God Zelf.?

2. De leer volgens welke alleen het morele en geestelijke in de bijbel zou geïnspireerd zijn. Sommigen zeggen dat God bovennatuurlijke dingen heeft geopenbaard, dingen die anders buiten het bereik van de mens liggen, maar omdat Hij geen nutteloze wonderen verricht, zou Hij de bijbelschrijvers op hun eigen manier hebben laten opschrijven wat zij wisten, vooral met betrekking tot de geschiedenis en de opvattingen van hun tijd. Zo zouden er in de bijbel vele onjuistheden en legenden ingebracht zijn en begrippen die vanuit ons moderne gezichtspunt als vals worden beschouwd.

Ons antwoord hierop is dat, als een getuige op een bepaald punt dubbelzinnige of misleidende taal gebruikt, het moeilijk is te geloven dat de rest van hetgeen hij te zeggen heeft waarheid bevat.

Was het echt noodzakelijk dat de geschiedkundige verhalen geïnspi­reerd werden? Het is belangrijk nadruk te leggen op het feit dat de Joods-christelijke godsdienst gestalte heeft aangenomen in de geschie­denis. De grote feiten van de openbaring en de verlossing hebben daad­werkelijk op aarde plaatsgevonden op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip. Als we deze feiten alleen maar kennen uit onnauwkeu­rige of legendarische verhalen (mythen, om het modewoord te ge­bruiken), welke geestelijke zekerheid kunnen we daar dan op baseren? De bijbel zelf bevestigt de waarheid en de geestelijke waarde van de geschiedkundige verhalen. Jezus Christus onderschreef zonder enig voorbehoud de grote gebeurtenissen die in het Oude Testament vermeld worden (zie Deel IV, hoofdstuk I, paragraaf III, punt 6). Paulus zegt, dat deze dingen werden opgetekend ter waarschuwing en dat ze als voorbeeld de geestelijke waarheden van het Evangelie bevatten (1 Cor. 10:4, 6, 11). De schrijvers van de geschiedkundige boeken moeten des te meer geïnspireerd zijn geweest, daar ze immers open­baringen, waarschuwingen, profetieën en wetten van onbetwistbaar bovennatuurlijke oorsprong onlosmakelijk verweven hebben met hun vermelding van de feiten zoals God die zag.

Zo gaf een eenvoudig verslag van het verleden vaak zonder dat de schrijvers dit wisten, maar omdat de Here dit wilde, een gedetailleerde voorafschaduwing van de Messias - van Zijn persoonlijkheid, Zijn lijden, Zijn dood en Zijn heerlijkheid. Adam was ‘een beeld van de komende’ (Rom. 5:14); Hagar en Sara symboliseerden respectievelijk de twee verbonden van de wet en van de genade (Gal. 4:24); het Joodse Paasfeest, en het geofferde lam, beeldden Christus af, ons Paaslam (1 Cor. 5:7); de rots waarop Mozes sloeg op de Horeb ‘was Christus’ (10:14), enz.

Kortom, de bijbelse geschiedschrijvers moesten stap voor stap geleid worden in hun keuze uit het materiaal waarover zij beschikten. Volgens Johannes 21:25, zou de wereld zelf de volledige beschrijving van alle dingen die Jezus gedaan heeft, niet kunnen bevatten. Wat een goddelijke inspiratie was er niet voor nodig om aan de Evangeliën een dergelijke niet te evenaren soberheid, beknoptheid en verscheidenheid te verlenen (om niet te spreken van de andere geschiedkundige boeken)! Dit is zo waar dat men, hoe meer men vordert in de kennis van de bijbel, daarin des te meer op iedere bladzijde een geestelijke onderwij­zing vindt. Dit is vanzelfsprekend, want ‘al wat te voren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven’ (Rom. 15:4). De dag zal ongetwij­feld komen, waarop we nog duidelijker zullen zien de volmaakte manier waarop in de bijbel geschiedenis, openbaring en inspiratie geheel met elkaar verweven zijn.

3. De bijbel ‘bevat’ - maar ‘is niet’ - het woord van God.

Dit is de leus die tegenwoordig in de mode is. Vele theologen zijn van mening, dat er in de bijbel vele mythen, legenden en vergissingen staan, hetgeen hen niet belet, zeggen ze, op hun manier daarin Gods Woord te onderscheiden. Volgens hun mening kan geen enkel ge­schoold en eerlijk mens meer geloven in een volledige inspiratie. De moderne wetenschap zou een dergelijke naïeve opvatting volkomen onhoudbaar gemaakt hebben. (Zie Deel III, hoofdst. IV).

Voor Roland de Pury is ‘het verwarren van de bijbel met het woord van God’ even ernstig als de Roomse dwaalleer; er is een wezenlijk verschil, en, tenzij het Protestantisme deze twee dingen duidelijk ge­scheiden houdt, ‘zal het gevaar lopen tot het heidendom te vervallen’. De bijbel is alleen maar ‘een getuigenis van de openbaring’, en die openbaring komt tot uitdrukking ondanks de tegenstrijdigheden van de tekst. Het fundamentalisme met ‘zijn boek dat uit de hemel gevallen is’ is een bijbels fetisjisme dat de moeilijkheden weggoochelt en dat de heidense denkwijze erg dicht nadert.8

Eén van de invloedrijkste hedendaagse theologen, Rudolf Bultmann, heeft zijn best gedaan alle mythen uit de bijbelse tekst te verwijderen met de bedoeling om zo het wezenlijke van het Evangelie, het kerygma (het Griekse woord voor verkondiging) te behouden, dat wil zeggen: de waarheid die verkondigd moet worden.

Hier onder volgen enkele van de elementen van het Nieuwe Testament die, volgens Bultmann, verwijderd moeten worden, omdat hun mytho­logisch karakter hen onaanvaardbaar maakt voor het moderne denken. Het gaat in feite om alles wat bovennatuurlijk of een wonder is:

Het bestaan van Christus vóór Zijn aardse leven
Zijn wonderbare geboorte
Zijn godheid Zijn wonderen
Zijn plaatsvervangend sterven aan het kruis
Zijn opstanding en de opstanding van de gelovigen
Zijn hemelvaart
Zijn wederkomst in heerlijkheid
Het laatste oordeel
Het bestaan van goede en kwade geesten
De persoonlijkheid en de kracht van de Heilige Geest
De leer van de drieëenheid
De dood als gevolg van de zonde
De leer van de erfzonde, enz.9

Na deze ontmythologisering van de bijbelse tekst hoeft men zich niet meer af te vragen wat er over blijft van het ‘wezen van het Evangelie’ en welke ‘verkondiging’ (kerygma) men er nog kan uithalen! Aangezien deze ontleding op een nog radicalere wijze op het Oude Testament wordt toegepast, kan men gemakkelijk zien dat, als de bijbel naast de mythen en legenden enkele elementen van het woord van God bevat, deze elementen bijna geheel door de mythen en legenden zijn overwoekerd. Als Bultmann de uiterst logische conclusie zou willen trekken uit deze opvatting, wat zou hem er dan van weerhouden ten­slotte te verklaren, dat God Zelf de laatste mythe is die verwijderd moet worden?

Als de bijbel werkelijk zo vol staat met twijfelachtige en onbetrouwbare dingen, kan men hem op zichzelf niet beschouwen als de openbaring van God. Dit is de reden waarom deze zelfde schrijvers beweren, dat hij slechts een menselijke echo is van de openbaring, een feilbaar ge­tuigenis daarvan. We vinden hier weer de gedachte dat God, nadat Hij tot de bijbelschrijvers gesproken had, hen aan hun eigen lot overliet, zodat in hun herinneringen onjuistheden, verfraaiingen en legenden werden gevlochten. Het is zonneklaar, dat het dan in onze tijd vol­komen onmogelijk zou zijn in deze mengelmoes de waarheid van de dwaling te onderscheiden.

In hun poging om uit deze moeilijkheid te komen, zijn grote theologen tot deze redenering gekomen: de bijbel is slechts het woord van men­sen; maar God kan maken dat hij Zijn Woord wordt, als Hij ons door middel van de bijbel een boodschap meedeelt. In dat ogenblik van ‘persoonlijke ontmoeting’ deelt God ons iets van Zijn waarheid mee; dit verandert echter niets aan het feit, dat de desbetreffende bladzijde uit de bijbel een legende blijft, een onnauwkeurig en tendentieus ver­haal. Theodore Engelder merkt hieromtrent op, dat zulke mensen ‘weigeren te geloven, dat God het wonder heeft volbracht ons door inspiratie een onfeilbare bijbel te geven, maar ... wel bereid zijn te geloven, dat God dagelijks het nog groter wonder verricht de mensen in staat te stellen in het feilbare woord van mensen het onfeilbare Woord van God te ontdekken’.10

We kunnen ons inderdaad erg moeilijk voorstellen dat God gebruik zou maken van iets dat onwaar is om ons de waarheid te leren. En meer nog, als de bijbelse tekst vol fouten en vergissingen staat, naar welke maatstaf kunnen we dan de ervaring van de gelovige controleren voor wie deze bladzijde plotseling het Woord van God ‘is geworden’? Zulk een theologie moet wel leiden tot een zeer subjectief en irrationeel mysticisme.

Laten we hier nog een ogenblik bij stilstaan en ons de verwarring indenken van de eenvoudige gelovige die geschokt is in zijn geloof in de gehele bijbel. Men zegt hem, dat hij het zelf moet uitzoeken, en dat hij het goede moet behouden. Maar nogmaals, hoe kan hij dat wat vals is van de waarheid onderscheiden en het menselijke van het goddelijke? Hoe moet hij het voor elkaar krijgen om de bladzijden van de bijbel in te delen in geïnspireerde, gedeeltelijk geïnspireerde of niet geïnspi­reerde? Welke autoriteit veroorlooft hem te zeggen, dat een bepaald gedeelte al of niet de gedachten van God weergeeft? Dit is een uiter­mate ernstige zaak, aangezien ons eeuwig heil ervan afhangt. Wie zou bovendien de vermetelheid hebben om te beweren: ‘Dit menselijke woord heeft God gesproken’, of ‘in dit goddelijke woord is het slechts de mens die spreekt’?11 Wie wil beslissen wat geïnspireerd is in de bijbel en wat niet, stelt zichzelf boven de Schrift en verliest de godde­lijke boodschap.

In de praktijk, omdat niemand die indeling kan verrichten, blijft alles in een soort halfduister hangen. Men moet zelf beslissen of een bepaald gebod au sérieux genomen moet worden of niet, of een gegeven belofte zeker is of bedrieglijk, of een bepaalde schrijver een bedrieger is of een betrouwbaar getuige. Overal duiken vraagtekens op. De prediking zelf wordt daardoor verlamd, want de spreker wordt gedwongen over dogma’s te spreken waar hij niet zeker van is en over verhalen die hij slechts als legendarisch beschouwt. Meestal zal hij niet vanaf de preek­stoel durven zeggen, dat de schepping en de zondeval en de zondvloed alleen maar mythen zijn en dat de Pentateuch een verzameling niet-authentieke documenten is. Bovendien, wat kunnen mensen preken die de wonderbare geboorte van Christus, het kruis, de opstanding en de heerlijke wederkomst als mythologisch beschouwen? Een van hen verklaarde: ‘Toen ik student in de theologie was, brachten mijn vrien­den en ik gewoonlijk veel tijd door met te argumenteren of op de Paasdag het graf van Christus al of niet leeg was. Maar nu ben ik gaan inzien, dat het van geen enkel belang is’. Tijdens een kerstdienst las een andere predikant kort geleden het verhaal van het evangelie, waarna hij eraan toevoegde: ‘Dit is wat Lucas en Mattheus zeggen, maar we weten nu dat het slechts een legende is’. Een student in de theologie, die een preek moest voorbereiden voor ditzelfde feest, riep uit: ‘Wat zou ik kunnen preken over een mythe?’

Als een groot gedeelte van de bladzijden van de bijbel niet-authentiek maar mythisch is, wat blijft er dan over waar we zeker van kunnen zijn? Dan zou Jezus zelf zich vergist hebben, evenals de profeten en de apostelen, want zij geloofden de bijbelse tekst onvoorwaardelijk. Aan de andere kant, wie moeten we geloven? Wij zouden ons leven en onze eeuwige bestemming niet willen laten afhangen van zo’n onbe­trouwbaar boek. Moeten we ons vertrouwen stellen in deze of gene grote theoloog, in theorieën die steeds veranderen, of in de kerk, die in de loop der geschiedenis zoveel fouten heeft gemaakt en ontrouw is gebleken? Of in ons ‘godsdienstig geweten’ dat telkens faalt?

4. Alleen Christus is het ‘Woord van God’.

Om ons een beetje gerust te stellen zijn er sommigen die zeggen: ‘We geloven onvoorwaardelijk in het Woord van God, maar Jezus Christus alleen is dit Woord; wat de bijbel betreft, hij is slechts een echo. Het is onmogelijk het ene met het andere gelijk te stellen. Een dergelijke uitspraak lijkt op het eerste gezicht erg vroom, maar zij is desalniet­temin onjuist en onvolledig. Christus is inderdaad bij uitstek het godde­lijke, eeuwige en scheppende Woord, dat vlees is geworden om ons te redden (Joh. 1:1-3, 14). We weten echter helemaal niets over Hem - over Zijn persoon of Zijn verlossingswerk - buiten het geschreven Woord.

Als Jezus alleen Gods Woord is, onafhankelijk van de Heilige Schrift, om welke Christus gaat het dan in werkelijkheid? Als de Christus van Mattheus, Johannes en Paulus onbetrouwbaar is, geldt dat dan ook niet voor de Christus van Bultmann of Robinson of van welke andere beroemde theologen ook die voortdurend bezig zijn de bijbelse tekst te herzien en te verbeteren?

De bijbel zelf bevestigt telkens weer dat hij het Woord van God is. Het Oude Testament herhaalt 3.808 keer synonieme uitdrukkingen zoals ‘de Here sprak’, ‘zo spreekt de Here’, ‘de Here sprak tot mij deze woorden ... enz’. De psalmdichter, evenals Jezus zelf, noemde de Wet (de Oudtestamentische Schrift) ‘het woord van God’ (Ps. 119:9; Matth. 15:6). Dezelfde uitdrukking wordt in het Nieuwe Testament gebruikt voor het woord gepredikt door Christus en Zijn apostelen (Lucas 5:1; Hand. 13:44; en vooral 1 Thess. 2:13). (We komen op deze bewijsgrond terug als we de bijbelkritiek behandelen (zie Deel IV, Hoofdstuk IV).

III. DE BIJBEL IS EEN BOEK DAT UITSLUITEND GODDELIJK IS EN DAT DE MENSEN OP MECHANISCHE MANIER GEDICTEERD WERD.

Volgens deze opvatting was de schrijver volkomen passief en nam hij de openbaring op en gaf hij deze wéér op de manier waarop een bandrecorder werkt. Zijn persoonlijkheid zou volkomen terzijde zijn gesteld, opdat de tekst vrij zou blijven van elk feilbaar menselijk element. Op deze manier daalde volgens de Mohammedanen de Koran zonder enige verandering te hebben ondergaan op aarde neer, nadat hij in de hemel al volledig in het Arabisch opgesteld was. Om deze reden hebben de mohammedanen ook lange tijd geen toestemming willen geven om de Koran te vertalen, omdat deze niet zou kunnen bestaan anders dan in de volmaakte vorm zoals die aan Mohammed gegeven was. Volgens degenen die niet geloven in de volledige inspi­ratie van de bijbel, zouden wij door onze theopneustische opvattingen gedwongen worden tot een soortgelijke houding.

Laten we onmiddellijk zeggen, dat een dergelijke opvatting volstrekt niet de onze is ofschoon men ons die voortdurend toeschrijft. We constateren integendeel, dat God op geen enkele manier de persoon­lijkheid van Mozes, David, Johannes en Paulus uitschakelde. Men herkent overal duidelijk hun stijl, temperament en persoonlijke gevoe­lens (zie Rom. 9:1-S). Hun geschriften dragen het kenmerk van hun tijd en de sporen van de omgeving waar ze geschreven zijn. Dit is de reden waarom een diepgaande studie van de geschiedkundige, culturele en taalkundige omlijsting van de bijbelse geschriften veel bijdraagt tot het verstaan van hun geestelijke betekenis. Een mechanisch dictaat zou een volledige gelijkvormigheid van alle bladzijden van de bijbel tot gevolg hebben gehad, iets dat in geen enkel opzicht het geval is.

F. E. Gaebelein stelt het volgende: ‘Helaas bestaat er een hardnekkige neiging om een karikatuur te maken van ons standpunt, door te be­weren dat een volledige inspiratie niet anders dan een mechanische inspiratie kan zijn. Deze karikatuur ziet er ongeveer als volgt uit: De schrijvers van de Bijbel waren niet veel meer dan menselijke dictafoons, die op mechanische wijze de woorden van de goddelijke auteur vast­legden. De persoonlijkheid van de schrijver kwam er niet aan te pas, daar hij de boodschap slechts als een papegaai hoefde te herhalen. Ook in onze huidige bijbel staat geen enkele fout; zelfs de leestekens zijn onveranderd overgebracht’. Men beweert dan verder, dat een dergelijke mening intellectueel gesproken onhoudbaar is, en dat alleen zeer onwetende mensen zo kunnen denken’.12

Waarom blijft men hardnekkig de evangelische gelovigen een dergelijke valse theorie toeschrijven, die naar ons weten niemand tegenwoordig aanhangt? Het is omdat we de tweevoudige natuur van de bijbel erkennen: de goddelijke inspiratie van elke bladzijde, evenals zijn echt menselijk karakter. Een dergelijke bovennatuurlijke trek schijnt de moderne ongelovigen, zelfs de ‘godsdienstige’ ongelovigen onaanvaard­baar toe. Voor hen betekent het geloof in de goddelijke inspiratie van de gehele bijbel, dat elke inbreng van de bijbelschrijvers wordt uitge­sloten; het betekent vergoddelijking van de bijbel alsof hij in zijn geheel ‘uit de hemel gevallen is’. Dit schept dan de mogelijkheid dat men hem op een zeer letterlijke manier gaat interpreteren en dientengevolge de bijbel gaat verafgoden. In werkelijkheid weigeren deze critici eenvoudig in wonderen te geloven. Voor hen zijn er slechts twee mogelijkheden: of de tekst komt helemaal van God en in dat geval is zij mechanisch geïnspireerd (hetgeen volkomen absurd is) óf de mens heeft er een aandeel in gehad en in dat geval is de Schrift feilbaar en staat zij vol legenden, overdrijvingen en ‘vroom’ bedrog (hetgeen haar getuigenis onaanvaardbaar zou maken).

Hadden de Joden en de doceten van de eerste eeuwen niet dezelfde instelling tegenover Christus? Voor hen moest de Messias óf alleen God zijn, en in dat geval was zijn mens-zijn niet meer dan een uiterlijke verschijning, óf alleen mens en daarom feilbaar en in staat te liegen en te bedriegen. Maar het Evangelie bestaat nu juist hierin, dat Christus in Zijn volmaaktheid tegelijkertijd God en Mens is, zoals de volledig geïnspireerde bijbel tegelijkertijd van mensen en van God afkomstig is.

Men heeft vaak beweerd dat het ‘mechanische dictaat’ geleerd werd door de Hervormers en meer nog door de Lutherse theologen van de zeventiende eeuw. Maar geleerden als Robert Preus13 en James I. Packer14 verzekeren, dat die mannen het woord ‘dictaat’ nooit hebben opgevat in de zin die men hun toeschrijft. Packer schrijft: ‘Omdat evangelische christenen van mening zijn, dat de bijbelschrijvers vol­komen onder de leiding van de Heilige Geest stonden, wordt vaak verondersteld dat zij de theorie van de mechanische inspiratie aanhan­gen ... Maar dat is helemaal niet waar. Deze theorie is niets meer dan een stelling. We kunnen gerust zeggen, dat vanaf de Reformatie tot nu er geen enkele protestantse theoloog is geweest die deze opvatting verkondigde en de huidige evangelische christenen hangen deze theorie bepaald ook niet aan ... Weliswaar hebben vele zestiende en zeven­tiende-eeuwse theologen gezegd, dat de bijbel ‘door de Heilige Geest gedicteerd werd’, maar wat ze daarmee bedoelden was dat de schrijvers woord voor woord opschreven wat God wilde ... De term ‘dictaat’ werd altijd figuurlijk gebruikt ... Het bewijs daarvoor ligt in het feit dat ze op de vraag: ‘Hoe werkte de Heilige Geest in de geest van de schrijver’, altijd antwoordden met de uitdrukking ‘aanpassing’ en niet ‘dictaat’. Ze hielden terecht vol, dat God Zijn inspirerend werk vol­komen aanpaste aan de geestesgesteldheid, de kijk op de dingen, het temperament, de belangen, de literaire gewoonten en de stylistische eigenaardigheden van iedere schrijver.15 Niet alleen was elke mecha­nische opvatting van de inspiratie deze dogmatici vreemd, maar zij veroordeelden haar openlijk en nadrukkelijk. Zij verklaarden dat het absurd was de schrijvers als niet levende objecten te beschouwen. Als God ‘dicteerde’, dan betekende dit dat Hij inspireerde en sugge­reerde (deze zelfde theologen gebruiken graag het woord ‘Eingebung’, ingeving). De bijbelschrijvers van hun kant namen vrijwillig de pen ter hand. Ze deden dit bewust en uit overtuiging, op grond van ervaring en spontaan. Alhoewel deze twee uitspraken paradoxaal lijken of zelfs tegenstrijdig, probeerden deze theologen nooit ze met elkaar in over­eenstemming te brengen, zoals ze dat evenmin deden met betrekking tot de vele andere paradoxen in de bijbel.16

Professor B. B. Warfield is niet minder categorisch met betrekking tot de kerken van de Reformatie: ‘Men moet zich in geen geval verbeelden, dat het dogma van de volledige inspiratie een mechanische inspiratie betekent. De kerken van de Reformatie hebben nooit een dergelijke theorie aangehangen, ofschoon dit vaak door oneerlijke, slordige, onwetende of overijverige betwisters van deze theorie werd beweerd ... De kerken van de Reformatie zijn inderdaad van mening, dat ieder woord van de bijbel, zonder uitzondering, het woord van God is; maar daarnaast zijn ze even stellig van mening, dat ieder woord het woord van mensen is’. Men kan inderdaad de vurige onstuimigheid van Paulus, de tedere heiligheid van Johannes, de praktische geest van Jacobus herkennen in de geschriften die de Heilige Geest dóór hen heeft gegeven voor ons onderricht’.17

Wat is het standpunt van de mannen van het Réveil van Genève, aan wie alle Franstalige evangelische groepen zoveel te danken hebben? Louis Gaussen, schrijver van het klassieke boek ‘La Theopneustie’ verwierp met deze woorden de ‘dictaattheorie’ die sommigen hebben geprobeerd hem toe te schrijven: ‘Men schrijft mij met betrekking tot de inspiratie van de Heilige Schrift een verwerpelijke opvatting toe, die nooit de mijne is geweest en waartegen ik altijd geprotesteerd heb ... Van alle theorieën die verzonnen zijn om de inspiratie te verklaren is er geen een die meer in strijd is met de grote rol die ik toeken aan de individualiteit van de bijbelschrijvers in de samenstelling van de Heilige Schrift’.18 J. I. Packer citeert veertien van de beroemdste evangelische theologen van het einde van de XIXe eeuw, die zelf ook uitdrukkelijk de theorie van de mechanische inspiratie verwerpen. B. B. Warfield schreef in 1893: ‘Het zou overbodig moeten zijn om weer te protesteren tegen de gewoonte de aanhangers van de ‘woorde­lijke inspiratie’ ervan te beschuldigen, dat ze leren dat de inspiratie geschiedde door middel van dictering’.19 Packer voegt hieraan toe: ‘Dat zou nog minder noodzakelijk moeten zijn in 1958 - maar de meest in het oog springende dwaling heeft het langste leven’. De befaamde samenvatting van het geloof getiteld ‘The fundamentals’ (waarvan de benaming ‘fundamentalisten’ stamt) weerlegt ook nadruk­kelijk deze zelfde theorie. Het is dus duidelijk, dat ze een zuiver theologisch verzinsel is; zij heeft nooit bestaan gedurende de afgelopen eeuw, behalve in de verbeelding van sommige mensen.20

Voor Adolph Saphir is de ‘mechanische dictering’ nonsens. Als een mens bewaard blijft voor vergissingen en zonde, dan betekent dat in geen enkel opzicht, dat hij zijn individualiteit of zijn originaliteit ver­liest. Wanneer de Heilige Geest zijn verstand verlicht en zijn hart met liefde vult, en hem vrij maakt voor God, dan is hij in zijn normale toestand. In de hemel zullen de heiligen een uitgesproken individuali­teit hebben. We moeten wel de bewonderenswaardige verscheidenheid onder de bijbelschrijvers opmerken die voortkomt uit het verschil in beroep, taal, tijd en land. Zou het niet absurd zijn te veronderstellen ‘dat Jesaja niet bevende, bewogen en in diepe eerbied het zesde hoofd­stuk van zijn profetie schreef; dat Jeremia het boek Klaagliederen schreef enkel als een kopiist, die, zonder medegevoel in zijn hart en tranen in zijn ogen, eenvoudig een hogere stem gehoorzaamde; dat Davids hart niet overvloeide van vreugde en dankbaarheid toen hij de 23e of de 103e psalm zong, dat Paulus, toen hij aan zijn gemeenten schreef, hij niet de rijke schat van zijn persoonlijke ervaring en van zijn liefde aanbood?’21

Erich Sauer schreef enkele jaren geleden: ‘Men moet ons niet verkeerd begrijpen. We spreken niet van een inspiratie die een star, mechanisch dictaat van woorden is. Dat zou een goddelijke openbaring onwaardig zijn. Een mechanische inspiratie (automatische dictering) komt voor in het occultisme, het spiritisme en daarom in het demonisme, waar de boze geest zijn inspiraties voortbrengt door de menselijke individualiteit te verdringen en uit te sluiten. De goddelijke openbaring heeft echter niets te maken met het onderdrukken van de menselijke persoonlijkheid. Zij leent zich niet tot het opheffen van de door God gegeven wetten voor het menselijk bewustzijn en zij wil de mens ook niet omvormen tot een automaat. Zij wil de menselijke vermogens niet uitschakelen, maar eerder tot krachtiger en verhevener werking brengen. ‘Het licht kan geen duisternis voortbrengen, maar integendeel een scherper zicht’. De goddelijke openbaring beoogt de gemeenschap tussen de menselijke geest en de Goddelijke Geest. Zij wil de persoonlijkheid heiligen en veranderen als voorbereiding voor de dienst. Zij wil geen passieve ‘mediums’, maar actieve mannen Gods; geen dode werktuigen, maar levende, geheiligde medewerkers van God, geen slaven, maar vrienden (Joh. 15:15). Daarom is de inspiratie niet mechanisch, maar orga­nisch, niet magisch, maar goddelijk natuurlijk, geen levenloos dictaat, maar een levend woord van de Geest. Alleen op deze manier kan het woord van God het woord van de mens zijn en het woord van de mens het woord van God’.22

Ook dr. André Lamorte verwerpt onvoorwaardelijk de theorie die de bijbelschrijvers tot zuiver passieve organen maakt.23

Ondanks al het voorafgaande, is de volgende opmerking van Edward J. Young betreffende de meeste moderne theologen maar al te waar: ‘Er is één ding waarover bijna alle moderne theologen het eens schij­nen te zijn: ‘Wat we ook doen - zeggen zij - we kunnen onmogelijk terugkeren naar het oude orthodoxe geloof in de mechanische dictering van de bijbel. We willen niets te maken hebben met een statische opvatting van inspiratie die van de schrijvers automaten maakt of eenvoudig stenografen’.24

Wat ons betreft, wij hebben eveneens geen enkele behoefte terug te keren tot een dergelijke denkbeeldige opvatting, want wij hebben nooit die opvatting verkondigd.


HOOFDSTUK III



Dostları ilə paylaş:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə