Inspiratie en het gezag van de Bijbel


Deel IV Getuigenissen aangaande de inspiratie van de Heilige Schrift



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə17/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
#9982
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24

Deel IV

Getuigenissen aangaande de inspiratie van de Heilige Schrift

HOOFDSTUK I

Jezus Christus en de Heilige Schrift


Jezus, het goddelijke, eeuwige, vleesgeworden Woord, is niet te scheiden van de Schrift, het Woord van God dat tot een boek gemaakt is. (zie Deel II, hoofdstuk III, paragraaf I).

De punten van overeenkomst tussen de twee Woorden zijn zo veel­vuldig en zo belangrijk, dat we ze in dit hoofdstuk nog eens in be­schouwing zullen nemen.

I. CHRISTUS IS HET CENTRALE THEMA VAN DE HEILIGE SCHRIFT.

De bijbel, het boek van het heil, openbaart ons de God die ons verlost heeft en leidt ons tot Hem. Geen wonder dat de Verlosser en Zalig­maker overal in de Schrift de eerste plaats inneemt. Jezus Zelf roept uit: ‘Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen’ (Joh. 5:39). De Geest van Christus bezielde de profeten van het Oude Testament en openbaarde aan hen, ten behoeve van ons, het lijden van de Heiland der wereld en de heerlijkheid die zou volgen (1 Petrus 1:10-12).

‘Het getuigenis van Jezus is de geest der profetie’ (Openb. 19:10). Omdat Jezus Zijn discipelen, die het spoor bijster waren, de sleutel wilde geven van de Schrift, ging Hij met hen alles na wat in de wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen (de drie gedeelten van de Hebreeuwse bijbel; Luc. 24:44) op Hem betrekking heeft. De brief aan de Hebreeën drukt dit op een bijzonder duidelijke manier uit: Jahwe, de HERE van het Oude Testament is daarin niemand anders dan Jezus Zelf, die volkomen één is met de Vader:

‘Hem moeten alle engelen Gods huldigen’ (Hebr. 1:6; Ps. 97:7).


‘Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid ... o God, uw God heeft U gezalfd...’ (Hebr. 1:8-9; Ps. 45:7-8).
‘Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest...’ (Hebr. 1 10; Ps. 102:26).

Wat een boeiend en onuitputtelijk onderwerp voor bijbelstudie: te overdenken wat elk boek van de bijbel ons leert over de Here!133 Erich Sauer getuigt hieromtrent: ‘Jezus Christus staat in de bijbel centraal. Het is om Hem dat wij in de bijbel geloven. Door het geloof in Christus komen we tot een volkomen geloof in Zijn Woord. In Christus, die het middelpunt van de openbaring van God is, hebben wij ook het middelpunt van een opvatting van de bijbel welke volgens Gods wil is. Alleen dit is in overeenstemming met de Schrift. Want Christus Zelf is het Woord, de Logos (in het Grieks), de eerste vorm van het woord, het persoonlijke en levende ‘woord’, de getrouwe en waarachtige getuige (Joh. 1:1; Openb. 1:5), de mond die de waarheid spreekt; meer dan dat: die de waarheid zelf is (Joh. 14:6). En Zijn Geest, de Geest van Christus, heeft de profeten geïnspireerd (1 Petr. 1:11), en het getuigenis van Jezus is de. geest der profetie (Openb. 19:10).134

II. CHRISTUS KOMT OM DE SCHRIFT TE VERVULLEN.

Christus zegt: ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen’ (Matth. 5:17). ‘De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat’ (26:24). Toen Hij bij Zijn gevangenneming Petrus beval zijn zwaard weer in de schede te steken, voegde Hij eraan toe: ‘Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?’ (v. 54).

Op de avond na de opstanding riep Hij weer uit: ‘Alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden’ (Luc. 24:44).

De evangelisten lieten ook geen gelegenheid voorbijgaan om aan te tonen in welke mate alle gebeurtenissen uit het leven van Christus de vervulling van de Schrift zijn. We zullen ons hier beperken tot de voorbeelden die door Mattheus worden gegeven:

de wonderbare geboorte (Matth. 1:22-23; Jes. 7:14)
te Bethlehem (2:5-6; Micha 5:1)
het gaan naar Egypte (2:15; Hos. 11:1)
de kindermoord (2:17-18; Jer. 31:15)
Zijn jeugd in Nazareth in Galilea (2:23; 4:12-16; Jes. 8:23; 9:1)
de voorloper Johannes de Doper (3:3; 11:10; Jes. 40:3)
de genezing van de zieken (8:16-17; Jes. 53:4)
de volmaakte Knecht des HEREN (12:16-21; Jes. 42:1-4)
de verharding van het volk (13:14-15; Jes. 6:9)
het leren in gelijkenissen (13:35; Ps. 78:2)
de schijnheiligheid van de Farizeeën (15:7-9; Jes. 29:13)
de komst van Elia (17:10-11; Mal. 4:5; vgl. Marc. 9:12)
de intocht in Jeruzalem, rijdende op een ezel (21:4-5; Zach. 9:9)
de tempel die tot een rovershol gemaakt is (21:13; Jes. 56:7; Jer. 7:11)
de lof bereid uit de mond van kleine kinderen (21:16; Ps. 8:3)
de afgekeurde hoeksteen (21:42; Ps. 118:22)

de Messias die door David Here genoemd wordt (22:43-44; Ps. 110:1)


de dertig zilverlingen aangeboden door de overpriesters (26:15; 27:3-10; Zach. 11:12-13)
het verraad van Judas (26:24; Ps. 41:10)
de herder geslagen en de kudde van de discipelen verstrooid 26:31, 56; Zach. 13:7)
de gevangenneming; Jezus onder de overtreders geteld (26:54, 56; 27:38; Jes. 53:7, 9, 12)
de Zoon des mensen komende op de wolken (26:64; Dan. 7:13)
de Messias beschimpt, bespuwd en in het gezicht geslagen (26:67; 27:30; Jes. 50:6; 52:14)
de wijn, vermengd met gal, de azijn (27:34; Joh. 19:29; Ps. 69:22)
de kruisiging, het doorboren van Zijn handen en voeten (27:35; Ps. 22:15)
het lot dat geworpen wordt om Zijn kleren (27:35; Ps. 22:15-19)
de bespottingen tijdens de doodsstrijd (27:39-44; Ps. 22:7-9)
‘Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (27:46; Ps. 22:2)
de begrafenis in het graf van de rijke (27:57-60; Jes. 53:9)
de opstanding (28:7; Jes. 53:10; Ps. 16:9-10)
het goede nieuws aan alle volkeren gebracht (28:19; Jes. 49:6)

Tot hier het getuigenis enkel van Mattheus. Waarlijk, de persoon en het werk van Christus zijn niet te scheiden van de Heilige Schrift!

III. DE PRAKTISCHE HOUDING VAN CHRISTUS TEN OPZICHTE VAN DE SCHRIFT.

1. Hij geeft een opzienbarend getuigenis van het gezag en de godde­lijke inspiratie van de Schrift. Voor Hem kan de Schrift niet gebroken worden (Joh. 10:35). Haar duur wordt vergeleken met die van de hemel en de aarde, omdat haar oorsprong bovenmenselijk is (Matth. 5:18). God Zelf spreekt in de bijbelse tekst, bijvoorbeeld in dat gedeelte waar Mozes schrijft over de brandende braambos: ‘Hebt gij niet gele­zen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: Ik ben de God van Abraham’ (Matth. 22:31-32; vgl. 15:4). De geïnspireerde tekst is het ‘gebod Gods’, het ‘woord Gods’, want het is God Zelf die gezegd heeft ... (Matth. 15:3, 6). De Heilige Geest spreekt door David als hij Psalm 110 schrijft en de Messias Zijn Here noemt (Matth. 22:43). Het gebod Gods, het geschreven Woord overtreft alle menselijke overleveringen, ook de godsdienstige (Marc. 7:8-9).

2. Hij legt de nadruk op het belang van elk woord van de Schrift. ‘Gemakkelijker zouden hemel en aarde vergaan, dan dat er van de wet een tittel zou vallen’ (Luc. 16:17).

‘Al wat door de profeten geschreven is, zal aan den Zoon des mensen volbracht worden’ (Luc. 18:31; vgl. 24:44).

3. Vaak baseert Hij Zijn bewijsvoering op één enkele uitdrukking van de tekst, b.v.:

de naam die God Zichzelf geeft: ‘Ik ben de God van Abraham... (Matth. 22:32); het woord ‘mijn Heer’ dat gebruikt wordt voor de Zoon van David (v. 43-45);

de uitdrukking ‘goden’ in Ps. 82:6 (Joh. 10:34).

4. Hij plaatst de tekst van de Schrift op hetzelfde niveau als Zijn eigen goddelijke en onfeilbare woorden, die nooit voorbij zullen gaan (Matth. 24:35).

5. Hij neemt voortdurend Zijn toevlucht tot de Schrift.

a. In Zijn strijd tegen de verzoekingen van de duivel, antwoordt Hij drie keer: Er staat geschreven! en neemt hij heel Zijn bewijsvoering uit Deuteronomium (Matth. 4:4, 7, 10; Deut. 8:3; 6:16; 6:13).

b. In Zijn gesprekken met de loden, herhaalt Hij voortdurend:

‘Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft?’ (Matth. 12:3)

‘Hebt gij niet gelezen... ‘ (wat geschreven staat over de sabbat, v. 5)

‘Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?’ (Matth. 19:4)

‘Hebt gij nooit gelezen...’ (van Ps. 8:3; Matth. 21:16)

‘Hebt gij nooit gelezen in de Schriften?’ (de afgekeurde hoeksteen, Matth. 21:42)

‘Hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is’ (over de ‘levenden’, wier God Hij is, Matth. 22:31-32)

‘wat heeft Mozes u geboden?’ (over echtscheiding, Marc. 10:2-3)

‘Wat betekent dan dit, dat er geschreven is?’ (in Ps. 118:22; Luc. 20:17).

‘In uw wet staat geschreven, dat het getuigenis van twee mensen waar is’ (Joh. 8:17)

‘Is er niet geschreven in uw wet...’ (feitelijk in Ps. 82:6, want het gehele Oude Testament was ‘de wet’ voor de Joden; Joh. 10:34)

c. In Zijn onderwijs aan de discipelen, om zijn gezag te staven: Hij begint Zijn bediening door van een schriftgedeelte in Jesaja te zeggen: ‘Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld’ (Luc. 4:16-21). Hij antwoordt de wetgeleerde: ‘Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?’ (Luc. 10:26). De Bergrede is volledig gebaseerd op de wet die bevestigd en vervuld wordt (Matth. 5:17 e.v.)

d. In Zijn onderwerping aan de geboden van de wet:

Jezus was bereid om ‘onder de wet’ geboren te worden (Gal. 4:4). Hij wordt besneden en voorgesteld in de tempel ‘overeen­komstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is’ (Luc. 2:21-23).

Hij beveelt de genezen melaatse de gave te offeren die Mozes heeft voorgeschreven (Matth. 8:4). Hij verwaardigt zich het hoofdgeld voor de tempel te betalen (Matth. 17:24-27).

e. Aan het kruis, spreekt Jezus de gebeden uit en vervult Hij de profetieën van de Messiaanse Psalmen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ (Ps. 22:2; Matth. 27:46). ‘Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst’ (Ps. 69:22; Joh. 19:28). En toen Hij vervolgens riep ‘Het is volbracht’ (v. 30), wilde Hij daarmee tegelijkertijd zeggen, dat Zijn verzoenend werk voltooid was en dat de bijbelse profetie volkomen was vervuld. ‘Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest’ was het gebed van Ps. 31:6 (Luc. 23:46).

f. Na de opstanding neemt Jezus niets terug van Zijn onvoorwaardelijke bevestiging van de waarheid van de Schrift tijdens de dagen van Zijn vernedering (waarvan sommigen beweren dat Hij gedu­rende die tijd afstand deed van Zijn alwetendheid). Integendeel, Hij legt aan de discipelen op de weg naar Emmaüs, en daarna aan de vergaderde discipelen, uit wat in al de Schriften op Hem betrek­king had, vanaf Mozes tot aan de profeten en de psalmen (Luc. 24:27, 44, 46).

6. Christus bevestigt de verhalen van de Heilige Schrift.

Hij beroept Zich op een zeer stellige en natuurlijke wijze tot in de kleinste bijzonderheden op de gebeurtenissen van het Oude Testament. Het is duidelijk, dat Hij deze niet als mythen of legenden beschouwt, maar als vaststaande historische feiten:

de schepping van het eerste echtpaar (Matth. 19:4-5)


de moord op Abel (Luc. 11:51)
Noach, de ark en de zondvloed (Matth. 24:37)
de rol en het geloof van Abraham (Joh. 8:56)
de besnijdenis die aan de aartsvaderen gegeven was en die plaats vond op de achtste dag, ook al viel deze dag op de sabbat (Joh. 7:22-23)
de verwoesting van Sodom
de redding van Lot, de ondergang van zijn vrouw (Luc. 17:29, 32)
Isaäk en Jakob als historische personen (Luc. 20:37)
de roeping van Mozes (Marc. 12:26)
de wet door Mozes gegeven, die echtscheiding toelaat en de reini­ging van de melaatse voorschrijft (Joh. 7:19; Matth. 19:18; 8:4)

de tien geboden (Matth. 19:18)


het manna (Joh. 6:31-51)
de koperen slang (Joh. 3:14)
David die de toonbroden eet (Matth. 12:3)
de koningin van het Zuiden (Matth. 12:42)
de wijsheid en de luister van Salomo (Matth. 12:42; 6:29)
Elia en de weduwe van Sarepta (Luc. 4:26)
de toekomstige rol van Elia (Marc. 9:12)
Elisa en Naäman de melaatse (Luc. 4:27)
Jona en de mensen van Ninevé (Matth. 12:40-41)
de verdorvenheid van Tyrus en Sidon en het oordeel over hen (Matth. 11:21)
de dood van Zacharia tussen het altaar en het tempelhuis (Luc. 11:51)
de profetie van Daniël (Matth. 24:15).

7. Jezus geeft, alsof het met opzet is getuigenis over Schriftgedeelten die tegenwoordig fel aangevallen worden.

Wij hebben zojuist gezien wat Hij zegt over Adam en Eva, de zond­vloed, Jona, Daniël (aan wie Hij Zijn titel ‘Zoon des mensen’ ontleent), enz. Hij bevestigt ook de echtheid en de eenheid van Jesaja door het feit dat Hij geen enkel onderscheid maakt tussen het eerste en het tweede gedeelte van het boek. Hij begint Zijn bediening door uitleg te geven over een profetie van Jesaja (61:1-2) (Luc. 4:17-21). Hij vestigt de aandacht op de bedreiging van Jesaja 6:9 (Matth. 13:14).

Hij past het ernstige verwijt van Jes. 29:13 (Matth. 15:7-9) op het volk toe. De evangelisten noemen Jesaja nog als de schrijver van de volgende schriftgedeelten: Jes. 6:1-5 (Joh. 12:39-41); Jes. 8:23­9:1 (Matth. 4:14-16); Jes. 40:3; (Joh. 1:23); Jes. 49; 42:1-4; (Matth. 12:17); Jes. 53:1 (Joh. 12:38); Jes. 53:4 (Matth. 8’:17). Christus neemt uit de Pentateuch, die Hij steeds aan Mozes toeschrijft, de grootste twee geboden van de Here (Deut. 6:4-5; Lev. 19:18; Marc. 12:29-31).

Wij hebben ook gezien dat de Here, in Zijn zware strijd met de duivel, tot drie keer toe het zwaard van Deuteronomium hief (Luc. 4:4, 8, 12), een boek dat samen met Leviticus het meest door de critici is aangevallen.

8. Jezus stelt dat de Schrift volkomen toereikend is om een mens tot het heil te brengen.

Hij verklaart met betrekking tot de broeders van de slechte rijke man: ‘Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren’ (Luc. 16:29). De geschreven openbaring bevat alles wat nodig is om een zondaar tot de kennis van God en het eeuwige leven te brengen. Iemand die uit de doden is opgestaan (vv. 30-31) of zelfs een engel (Gal. 1:8) zou niets meer en niets beters kunnen zeggen.

9. Hij laat zien dat elke dwaling voortkomt uit veronachtzaming en het niet verstaan van de Schriften.

‘Dwaalt gij niet daarom, dat gij de Schriften niet kent, noch de kracht Gods? Gij dwaalt wel zeer’ (Marc. 12:24, 27).

De discipelen op de weg naar Emmaüs zijn treurig en verontrust omdat hun opvatting van Gods plan op niets is uitgelopen. Jezus kent de reden van deze teleurstelling en Hij zegt tegen hen: ‘O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!’ (Luc. 24:25).

Johannes Chrysostomus had inderdaad gelijk toen hij uitriep: ‘De oorzaak van alle kwaad ligt in de onwetendheid aangaande de Heilige Schrift en de gebrekkige kennis daarvan!’

IV. CONCLUSIE.

In het kort samengevat kunnen we, met alle eerbied gesproken, zeggen dat Jezus Christus als het ware geheel doordrongen was van de Schrift, die Hij kende ‘zonder onderricht te hebben ontvangen’ (Joh. 7:15). Een tiende van Zijn woorden was uit het Oude Testament genomen. In de vier Evangeliën zijn van de 1800 verzen die Zijn toespraken vermelden er 180 die citaten zijn van de geschreven openbaring, of rechtstreekse toespelingen daarop. Als men ons verwijt voortdurend teksten uit de Schrift aan te halen, wat dan te zeggen van Christus die dit onophoudelijk doet? (Deze verhouding van één op de tien geldt bovendien ook voor de rest van het Nieuwe Testament; terwijl zij dicht bij de helft ligt in de redevoeringen in Handelingen).

De bijbel is voor Jezus het arsenaal waar Hij Zijn wapens vindt, de vesting van de waarheid. Als Hij door de duivel verzocht wordt, roept Hij de Here, Mozes de dienstknecht, te hulp, omdat Mozes de woor­den van God Zelf heeft gesproken. Als de Joden Hem willen stenigen vanwege een uitspraak die zij als godslasterlijk beschouwen, neemt Hij in dit doodsgevaar nog Zijn toevlucht tot de Schrift, ‘Die niet gebroken kan worden’ (Joh. 10:31-36). Laten we les nemen in exegese in de school van Christus. Hij getuigt duidelijk van de volmaakte inspiratie en de continuïteit van de bijbelse openbaring, haar eenheid, haar samenhang en haar volkomen toereikendheid. Hij leert ons de kunst om alle onderdelen van de tekst, de kleine zowel als de grote, goed te doen uitkomen. Hij die de Waarheid is, het eeuwige Woord, onderwerpt Zich zonder enig voorbehoud aan de geïnspireerde tekst. Het is duidelijk, dat voor Hem elke uitspraak van het Oude Testament het Woord van God is.

Men heeft beweerd dat de Heer, door dit te doen, Zich liet beïnvloeden door de Joodse ideeën. Het tegendeel is waar! Jezus gebruikte zeker de taal van Zijn tijd, om Zich aan te passen aan de bevatting van Zijn hoorders; maar Hij heeft in geen enkel opzicht hun dwalingen of hun onwetendheid aanvaard. In feite bestreed Hij zonder ophouden de valse opvattingen van Zijn medeburgers inzake de overlevering, de ceremo­niën, de reiniging, de wet, de sabbat, hun politieke en vleselijke verwachting van het ‘Koninkrijk Gods’, hun opvatting over het hier­namaals en de Messias Zelf. Als Jezus over de volledige inspiratie van het Oude Testament een andere mening had gehad dan de Joden, dan zou Hij hun opvatting daarover zeker even krachtig hebben bestreden als de menselijke overlevering. Wat zouden we anders moeten denken van Zijn morele integriteit en Zijn waarheidsliefde? Anderzijds, als Hij tijdens Zijn aardse leven behept zou geweest zijn met een zekere onwetendheid, zou Hij dan na Zijn luisterrijke opstan­ding Zijn onderwijs betreffende de Schrift niet hebben moeten verbete­ren? Wij hebben daarentegen gezien, dat Hij dit onderwijs over de hele linie bevestigd heeft (Luc. 24).

Christus’ houding van vertrouwen in de Schrift en volledige onder­werping daaraan, bepaalt hoe mijn eigen houding moet zijn ten opzichte van de Schrift. Mijn geloof in Christus, de goddelijke Heiland, is gebonden aan mijn geloof in de Schrift die Hem openbaart en die Hij bevestigt. Als ik het onfeilbare gezag van de Here erken, kan ik niet anders dan geloven in de feiten en in de leer van het inspirerende Boek. Omgekeerd, ieder die het getuigenis van de Bijbel aanvaardt wordt tot geloof in Christus gebracht. De Joden beweerden in Mozes te geloven, terwijl zij tegelijkertijd Jezus verwierpen. Maar Hij zei tot hen: ‘Indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven. Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij mijn woorden geloven?’ (Joh. 5:46-47).

De welbekende Dr. H. C. G. Moule, een Anglicaanse bisschop, schreef: ‘Christus vertrouwde volkomen op de bijbel en ofschoon er in de bijbel onverklaarbare en ingewikkelde dingen staan die mij veel moeite heb­ben gegeven, vertrouw ik op het Boek, niet op een blinde manier, maar eerbiedig, vanwege Hem’.135

Een andere schrijver drukt zich als volgt uit: ‘Het Nieuwe Testament canoniseert het Oude Testament; het Woord dat vlees geworden is bezegelt het geschreven Woord. Het Woord, dat vlees geworden is, is God; daarom wordt de inspiratie van het Oude Testament door God Zelf bevestigd’.136

Christus, het thema van de Heilige Schrift en waarborg van haar echt­heid, is ook de grote leraar van de Schrift. Na Zijn voortreffelijk bijbelonderricht zeiden de discipelen op de weg naar Emmaüs tot elkander: ‘Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?’ En diezelfde avond opende de Here het verstand van alle gelovigen die in de opperzaal vergaderd waren, opdat zij de Schriften zouden begrijpen (Luc. 24:32, 45). Ook wij hebben geen andere toevlucht en geen ander streven dan dat in deze hele studie de opgestane Christus ons verstand moge openen en ons hart moge doen branden door middel van Zijn Woord, het geschreven en levende Woord.

(Dit hoofdstuk gaat vanzelfsprekend over het getuigenis dat Christus gaf omtrent het Oude Testament. Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. V, par. II) op welke wijze Hij de inspiratie van het Nieuwe Testament van te voren voor echt heeft verklaard).


HOOFDSTUK II


Yüklə 0,88 Mb.

Dostları ilə paylaş:
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24




Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2022
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə