Inspiratie en het gezag van de Bijbel


De moeilijkheden van de Bijbel



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə13/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   24

De moeilijkheden van de Bijbel


Een vrij algemeen verbreide mening tegenwoordig is dat de vele ‘vergissingen’ en ‘tegenstrijdigheden’ in de bijbel twijfel doen rijzen niet alleen aan de onfeilbaarheid, maar ook aan de inspiratie van de bijbel. De ontdekkingen van de wetenschap en de ‘bevestigde resultaten van de kritiek’ zouden hebben aangetoond dat men weinig vertrouwen kan hebben in de tekst van de Schrift. Vooraanstaande theologen ver­klaren, dat de bijbel slechts een feilbaar getuigenis is van de openbaring, afkomstig van eveneens feilbare mensen.

Wij erkennen ronduit, dat de tekst moeilijkheden oplevert. Maar het is onze taak uit te vinden welke van deze problemen reëel zijn, ze af te bakenen en dan te onderzoeken of ze al of niet opgelost kunnen worden.

I. DENKBEELDIGE MOEILIJKHEDEN

Het is ontegenzeggelijk, dat de zogenaamde onoplosbare problemen in de bijbel sterk zijn overdreven. Warfield zegt dat het vaak schijnbare problemen zijn, en dat ze net als schimmen verdwijnen als men ze naderbij komt.s7 Hier volgen enkele van zulke problemen die ons, naar wij menen, helemaal niet behoeven te verontrusten.

1. Het uitspansel. De algemene opinie van de critici is dat de Hebreeërs dachten, dat de hemel een vast en onveranderlijk gewelf was, waarin de sterren als spijkers ingehamerd waren. De bijbel zegt iets dergelijks niet. ‘Uitspansel’ is een foutieve vertaling van de uitgestrektheid. Aristoteles en de mensen uit de oudheid waren degenen die de hemel beschouwden als een vaste bol. In een enkele schrift­plaats moge poëtisch gesproken worden over de ‘zuilen’ en de ‘grond­vesten’ van de hemel (Job 26:11; 2 Sam. 22:8), elders staat ook: ‘God spant het Noorden uit over den baaierd, Hij hangt de aarde op aan het niet’ (Job 26:7).

2. De vrouw van Kaïn. Vanwaar kwam zij, aangezien er vóór Genesis 4:17 slechts sprake was van het eerste echtpaar en hun twee zonen? Dat is waar, maar volgens Genesis 5:4 leefde Adam erg lang en ‘verwekte hij zonen en dochteren’. In deze aanvangstijd van de mens­heid trouwde Kaïn dus met zijn zuster. (Bedenkt in verband hiermee, dat in Egypte de kroon eeuwenlang werd overgedragen door de vrou­wen en dat de nieuwe Farao, om aan de regering te komen, met zijn eigen zuster trouwde).

3. De haas die herkauwt (Lev. 11:6). Men heeft zich afgevraagd of de haas onder de herkauwers werd genoemd vanwege een speciale beweging van zijn kaken, terwijl het in feite een knaagdier is. Maar het is zeer goed mogelijk, dat onze vertaling van het Hebreeuwse arnebeth, die gebaseerd is op het overeenkomstige woord in de Septuagint, verkeerd is en dat dit dier geen haas was. Iedere taalkundige weet hoe moeilijk het soms is om bij het vertalen de juiste naam te vinden voor bloemen, planten en dieren. Men heeft ook moeite gehad om de juiste betekenis van het Hebreeuwse woord behemoth uit Job 40:10 weer te geven. L. Segond heeft het vertaald met nijlpaard, een andere vertaling heeft rhinoceros, terwijl Darby eenvoudig behemoth heeft laten staan.

Aangezien dit bepaalde argument voortdurend wordt gebruikt als een onweerlegbaar bewijs dat er vergissingen in de bijbel voorkomen, willen we als bewijsstuk het recente artikel van Fr. Prévost in ‘La Vie des Bêtes’ (okt. 1965, blz. 36) aanhalen, welke schrijver het eens blijkt te zijn met de huidige vertaling van Leviticus 11:6: ‘Eén ding is volkomen zeker en ongelooflijk, de haas en het konijn zijn herkauwers. Dit vreemde feit werd al geconstateerd in de oudheid, maar niemand hechtte er werkelijk geloof aan: men beschouwde deze bewering als een verzinsel’.68 Volgens de schrijver van het artikel, wordt het normaal verteerde voedsel uitgescheiden in de vorm van kleine groene balletjes, die het dier meestal weer tot zich neemt, voordat ze op de grond vallen. Het absorberen van deze balletjes zou van grote waarde voor de voeding zijn. Het gaat hierbij niet om het eten van mest, zoals men op het eerste gezicht zou kunnen denken, maar om een bijzondere manier van herkauwen die deze dieren eigen is.

4. De zogenaamde ‘doubletten’. De critici gaan uit van het axioma, dat een gebeurtenis zich niet op een later tijd in een ietwat verschillende vorm opnieuw kan voordoen. Het tweede verhaal wordt onmiddellijk als een ‘doublet’ bestempeld en als een duidelijk bewijs dat een andere schrijver een plagiaat van het eerste verhaal in de tekst heeft ingevoegd. Het feit dat Abraham een misleidende mededeling deed over zijn vrouw (in werkelijkheid zijn halfzuster), sluit volgens hen de moge­lijkheid uit dat hij hetzelfde nog een keer deed. (Gen. 12:10-20 en 20:1-13). Als Isaäk later in dezelfde zonde vervalt, wordt de ‘doublet’ plotseling een ‘triplet’ (Gen. 26:7-11). Er is geen enkele grond voor deze interpretatie; want er is helaas niets, behalve een theologisch voor­oordeel, dat de mensen ervan weerhoudt tot twee maal toe in dezelfde zonde te vervallen, ook is er niets dat de zonen ervan weerhoudt de zonden van hun vader nog een graad erger na te doen.

De critici hebben een indrukwekkende lijst van zulke doubletten. We zullen er slechts enkele van noemen: de twee rotsen waarop Mozes sloeg (Ex. 17:1-7, Num. 20:1-13); de twee verhalen van het geven van de wet (Ex. 31:18; 32:19 en 34:1-4, 28); de herhaling van het gebed des Heren, het ‘onze Vader’ (Mt. 6:9-13 en Luc. 11:1-4) en van de bergrede (Mt. 5-7 en Luc. 6:20-49). Als men deze laatste vier schriftgedeelten nader beschouwt, dan constateert men immers door de verschillen in details, weergave en omstandigheden, dat deze zo belangrijke woorden verscheidene keren door Jezus moeten zijn uitgesproken. Geen enkele van de bovengenoemde verhalen zegt iets verkeerds en de verschillende teksten vullen elkaar aan. Van de twee wonderbare spijzigingen (Mt. 14:15-21 en 15:32-38) wordt ook beweerd dat ze volkomen met elkaar in strijd zijn: De eerste keer zijn er 5 broden en 2 vissen, 12 manden met broodresten en 5.000 mannen die gevoed worden; de tweede keer zijn er 7 broden, enkele kleine vissen, 7 manden met broodresten en 4.000 mannen die gevoed worden. Wij zien geen enkele reden waarom Jezus een dergelijk wonder niet nogmaals zou hebben kunnen verrichten onder ietwat verschillende omstandigheden (vgl. Mt. 16:9-10).

Het belachelijkste voorbeeld van een ‘doublet’ is de herhaling van de aankondiging door de engel van de geboorte van Jezus. De bekende criticus Strauss noemt niet minder dan vijf tegenstrijdigheden tussen het verhaal van het bezoek van de engel aan Jozef (Matth. 1:18-25) en dat van de aankondiging aan Maria (Luc. 1:26-38). Warfield merkt hieromtrent op dat men evengoed onbegrijpelijke verschillen zou kunnen vinden tussen een verslag van de Nederlandse tachtigjarige oorlog en een verslag van de Krimoorlog.69

5. De ‘walvis’ van Jona. Iedereen weet dat het keelgat van een walvis zo nauw is dat een mens er onmogelijk door zou kunnen. Dus moet de bijbel het bij het verkeerde eind hebben ... als hij het werkelijk over een walvis had. In werkelijkheid heeft de bijbel het slechts over een grote vis (Jong 2:1). Het is algemeen bekend, dat er haaien zijn die een mensenlichaam in zijn geheel kunnen inslikken. Kort geleden werd er een voorbeeld gemeld van een man die levend werd gered uit een potvis.

6. De uitdrukking ‘drie dagen en drie nachten’’. De Zoon des mensen zal drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn’. (Matth. 12:40). In feite is Hij er geweest: de vooravond van de Sabbat, de Sabbat en de tijd tot de morgen van de eerste dag van de week. De jonge Egyptenaar die door David bij Ziklag werd gevonden, nadat hij daar drie dagen geleden ziek achtergelaten was, had ‘gedurende drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken’ (1 Sam. 30:12-13). Esther wilde dat het volk drie dagen, des nachts zowel als des daags, met haar zou vasten; daarna, op de derde dag (niet de vierde) vertoon­de zij zich voor de koning (Esther 4:16; 5:1). Uit deze teksten blijkt, dat bij de Hebreeërs, (net zoals dat bij ons vaak wettelijk geldt) een gedeelte van een dag als een hele dag gold, hetgeen werd aangeduid door de uitdrukking ‘één dag en één nacht’. Wij herinneren in verband hiermee aan hetgeen wij al eerder hebben gezegd over de nood­zaak om de verhalen en uitdrukkingen in de bijbel in hun historische en culturele samenhang te plaatsen. Als we dat niet doen, gaan we noodzakelijkerwijs tegenstrijdigheden uitdenken die nooit in de bedoe­ling van de schrijver of van de lezers lagen.

7. Is er een tegenstrijdigheid tussen de tekst van Jer. 7:22-23 en de wet van Mozes? In een uitbarsting van verontwaardiging tegen het formalisme, de godsdienstige plechtigheden die enkel uiterlijk waren en het gruwelijke offeren van kinderen aan Baäl (19:4-5) roept de Heer uit: ‘Ik heb tot uw vaderen ... niet gesproken, noch hun een gebod gegeven ter zake van brandoffer en slachtoffer, maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Hoort naar Mijn stem, dan zal Ik u tot een God zijn’ (7:22-23). Hij spreekt hier over iets betrekkelijks in absolute bewoordingen, net zoals Jezus deed toen Hij zei, dat we onze vader en moeder moeten ‘haten’ (Luc. 14:26). Het eerste gebod van de wet was God lief te hebben en Zijn stem te gehoorzamen. Godsdienstige plechtigheden en offers kwamen daarna en verloren volkomen hun waarde als er niet aan de eerste voorwaarden voldaan werd. Jeremia wijst er duidelijk op, dat Israël de wet van Mozes had ontvangen toen het Egypte verliet, samen met het verbond en de Ark des Verbonds en later de tempel. Evenwel, toen zij de wet verachtten, keerde God Zijn aangezicht af van het vasten, de brandoffers en de offergaven waarvoor Hij toch Zelf de opdracht had gegeven (vgl. bijv. Jer. 2:18; 3:16; 5:4-5; 6:19-20; 7:4; 11:3-4; 15:1). Hij drukt Zich op dezelfde wijze uit in Jesaja 1:11-15: ‘Waartoe dient Mij de menigte uwer slachtoffers? ... Gruwelijk reukwerk is het Mij, nieuwe maan en sab­bat ... het bijeenroepen der samenkomsten - Ik verdraag het niet: onrecht met feestelijke vergadering ... wanneer gij het gebed verme­nigvuldigt, hoor Ik niet; uw handen zijn vol bloed’.

O. I. Allis geeft in dit verband een volkomen ter zake dienende bewijs­voering. Hij vestigt er de aandacht op dat de uitdrukking die vertaald is met ‘ter zake van’ (‘Ik heb hen niet gesproken noch hun een gebod gegeven ... ter zake van brandoffer’, Jer. 7:22), ergens anders ver­taald wordt met ‘om wille van’ of ‘ter oorzake van’ (‘Maar de Here werd toornig op mij om uwentwil’, Deut. 4:21; ‘De Here had name­lijk elke moederschoot in Abimelechs huis toegesloten ter oorzake van Sara’ Gen. 20:18).

Het komt dus hierop neer dat God helemaal niet gesproken had om wille van de brandoffers op zichzelf. De offers hadden hun plaats in de eredienst; maar zonder vroomheid en oprechtheid hadden ze geen enkele waarde. (vgl. 1 Sam. 15:22; Ps. 51:18, 19, 21; Hos. 6:6; Ps. 50:8-14).70

In elk geval is er niets dat het gebruik rechtvaardigt dat de critici van dit ene vers (Jer. 7:22) hebben gemaakt om de boeken en de wet van Mozes uit te sluiten als hadden ze nooit bestaan voordat ze verzonnen werden door vervalsers, voornamelijk omstreeks de tijd van de terug­keer uit de ballingschap. Het eenstemmig getuigenis van ‘t Oude Testa­ment en de historische ervaring van Israël tonen aan dat een dergelijke veronderstelling onjuist is.

II. MOEILIJKHEDEN DIE OPGELOST WORDEN DOOR BETERE INFORMATIE


De vooruitgang van de wetenschap, in ‘t bijzonder van de archeologie, heeft antwoorden geleverd op vele vragen die zijn opgeworpen. Immers als men de bijbelse openbaring niet voor waar houdt, komt men er gemakkelijk toe te verklaren, dat zij fout is als zij in tegenspraak lijkt met de gangbare meningen of met de kennis van het ogenblik. De tegenwerping valt vanzelfsprekend weg, zodra er nieuw licht komt dat de bijbel bevestigt, maar men wacht er zich voor de geleerde hypothese die haar in twijfel had getrokken terug te nemen. We zullen uit het vele bewijsmateriaal dat we hebben, slechts enkele voorbeelden noe­men.

1. Het aantal sterren. God zei tot Abraham: ‘Zie toch op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan den oever der zee’ (Gen. 15:5; 22:17). Gedurende een lange tijd, op zijn minst tot aan de tijd van Pascal geloofde men, dat het aantal sterren, door de astronoom Ptolemeus op 1.022 gesteld, juist was. Wie had gelijk met de bewering dat het aantal sterren ontelbaar is?

2. Het ‘geocentrisme’. Vóór Keppler heeft men werkelijk gedacht dat de bijbel leerde dat de aarde onbeweeglijk was en zich in het middel­punt van het heelal bevond, omdat men zelf deze verkeerde opvatting had. In werkelijkheid, als de Schrift vanuit menselijk standpunt spreekt, laat zij duidelijk enerzijds de kleinheid van de aarde zien en anderzijds de oneindige grootheid van de Schepper en van Zijn schepping. De psalmdichter roept uit: ‘Aanschouw ik Uw hemel, het werk van Uw vingers ... wat is de mens dat Gij zijner gedenkt?’ (Ps. 8:4-5). ‘De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk Zij­ner handen’ (Ps. 19:2). Salomo verkondigt, dat ‘de hemel, zelfs de hemel der hemelen’ niet de eeuwige God kunnen bevatten (2 Kron. 6:18). Volgens Jesaja kan niemand de hemel meten en zijn voor God de ‘volken geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal’, de eilanden zijn als fijn stof dat uitgestrooid wordt. (40:12-15). ‘Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heir daarvan in groten getale uitleidt’ (v. 26).

Toen de Roomse Kerk Galileï veroordeelde, omdat hij leerde dat de aarde draaide, ging zij uit van een onjuiste interpretatie, maar niet van een verklaring van de Heilige Schrift.

3. Het leven in de tijd van de aartsvaders en van Mozes. De kritische wetenschap verklaarde vanaf ongeveer honderd jaar geleden minach­tend, dat de gebeurtenissen die beschreven worden in de eerste boeken van de bijbel niet waar zijn. Volgens Kuenen zijn de tekenen in Exodus volledig verzonnen. Wellhausen noemde de krijgstocht van de koningen, zoals die beschreven wordt in Genesis 14, volkomen onmogelijk. Aan de andere kant had alles wat tot Bron P behoorde (benoemd als ‘pries­tercodex’, vooral Leviticus), geen enkele historische betekenis. De Pentateuch kon niet dateren uit de tijd van Mozes, omdat het volk in zijn geheel toen ongeletterd was en zonder wettelijke, zedelijke en godsdienstige normen. Mozes, die zelf niet schrijven kon, kan niet de schrijver zijn geweest van de boeken die hem worden toegeschreven.

Welnu, de archeologie heeft al dergelijke uitspraken weggevaagd door de verfijnde beschaving aan het licht te brengen van de volken uit de oudheid. Wij hebben niet alleen het bewijs dat de Babyloniërs en de bewoners van Ur der Chaldeeën voor het jaar 2000 voor Christus het schrift kenden, maar men heeft ook de tafels met 2e machts- en 3e machtsworteltrekking gevonden die ze in hun scholen gebruikten. Volgens een commentaar, geschreven door theologen van de moderne kritische school, tonen de ontdekkingen die betrekking hebben op de tijd van Abraham aan, dat de bijbelse verhalen over die tijd geen kunstmatige constructies zijn, gemaakt door priesters-geschiedkundigen uit later tijd; integendeel, zij komen werkelijk overeen met de pré-Mozaïsche omstandigheden en zijn buitengewoon nauwkeurig; ze be­vatten meer werkelijk historisch materiaal dan sommige geleerden tot nog toe hebben geloofd.71 Het is de moeite waard de aandacht te vestigen op deze bekentenis. We zouden zo gaarne willen, dat de leer zelf die gebaseerd is op die zogenaamde ‘bronnen’ herzien werd.

De beroemde archeoloog Albright ziet, na vijftig jaar wetenschappe­lijke ontdekkingen en arbeid, de historische authenticiteit van de bijbel steeds duidelijker aan het licht komen. Hij zegt dat in het bijzonder de Dode Zee rollen niet alleen de bijbelse wetenschap een radicale wending geven en noodzaken tot een geheel nieuwe studiemethode, maar dat zij ‘de kritische grondslag afbreken’ van de discipelen van Wellhausen, en ‘Bultmann volkomen weerleggen’. De oudere critici ontkenden de nauwkeurigheid van de bijbelse verhalen en de nieuwere (met Rudolf Bultmann) hebben afgedaan met de geschiedenis zelf, door te zeggen, dat zij geen betrekking heeft op het geloof. Op dit punt staat de opvatting van de evangelische christenen sterk, want zij heb­ben het volle gewicht van de geschiedkundige en de taalkundige weten­schap aan hun kant.72

4. De Hethieten. Gedurende lange tijd, werd dit grote volk van de oudheid nooit genoemd behalve in de bijbel (ruim 60 keer wordt mel­ding gemaakt van ‘de Hethieten’, de ‘zonen van Heth’ of ‘Hethieti­sche...’), en deze vele verwijzingen werden zeer sceptisch behandeld. Welnu, ongeveer 80 jaar geleden heeft men een veelomvattende docu­mentatie ontdekt met betrekking tot het Hethietische rijk, zijn taal, zijn veroveringen, zijn hoofdstad Boghaz-Koi (dicht bij Ankara in Turkije) zijn betrekkingen tot Palestina. Het is dus erg riskant om te beweren dat de bijbel fout is in gevallen waar de wetenschap en de geschiedenis van de mensheid geen weet hebben van feiten die de bijbel vermeldt.

5. Ninevé. De hoofdstad van Assyrië, Ninevé, was een geweldig grote stad, van drie dagreizen (Jona 3:3). Evenwel, de grote stad was zo volkomen verdwenen dat niemand minder dan Voltaire de bijbelse be­schrijving van die spookstad belachelijk maakte. Pas na 1842, toen de moderne archeologie ontstond, bevestigden de onderzoekingen volledig de bijbelse beweringen. De stad was geweldig groot, en bestond uit een samenvoeging van verscheidene kleinere plaatsen. Men heeft ook het paleis van Assurbanipal teruggevonden dat 71 zalen en kamers be­vatte met een intact gebleven bibliotheek van 22.000 teksten in spij­kerschrift.73

6. Sargon en Tartan. Tot een eeuw geleden maakte men de tekst van Jesaja 20:1 belachelijk, de enige plaats waar een koning van Assyrië genoemd wordt, die tot dan toe onbekend was in de profane geschie­denis. Dus beweerde men, dat deze koning nooit had geleefd. Welnu, eveneens in 1842 ontdekte Botta, de Franse consul, in Khorsabad (een voorstad van Ninevé) Sargons paleis met daarin een groot aantal gedetailleerde documenten.

Eveneens kende men gedurende een lange tijd niet de betekenis van het woord Tartan, dat ook gebruikt wordt in Jes. 20:1. En ook in dit geval is het een ontdekking van de archeologie dat dit woord geen eigennaam was, maar de titel van de oppergeneraal van het Assyrische leger.

7. Belsazar. Daniël (hfdst. 5) vertelt de geschiedenis van deze koning die de profeet slechts de derde plaats in zijn koninkrijk kon aanbieden en die gedood werd na een nachtelijke zwelgpartij ten tijde dat Babel werd overmeesterd. De profane geschiedenis had het spoor van deze persoon, wiens omstandigheden de critici onverklaarbaar toeschenen, volledig verloren. De Babylonische archieven hebben onthuld, dat Belsazar als tweede regeerde naast zijn vader Nabonidus, en daarom slechts de derde plaats kon aanbieden (v. 16). Het feit dat deze per­soon genoemd wordt ‘zoon’ van Nebukadnezar (v. 18) is in overeen­stemming met het gebruik van die tijd. Een kleinzoon werd soms zo genoemd (2 Kon. 9:2, 20) of zelfs een verdere afstammeling. In de Assyrische documenten wordt Jehu de ‘zoon van Omri’ genoemd, ter­wijl hij hem slechts als koning was opgevolgd.

8. Lysanias, de viervorst van Abilene. Men heeft vaak de spot gedre­ven met Lucas, omdat hij van deze persoon een tijdgenoot van Herodes maakte (3:1), totdat de ontdekking van een inscriptie de tekst van het Evangelie volledig bevestigde.

Er zouden nog vele van zulke voorbeelden kunnen worden gegeven, zeker na de recente opzienbarende vondst van meer dan 20.000 klei­tabletten in Ebla, Noord-Syrië, in een taal beschreven die verwant is aan het Hebreeuws van meer dan duizend jaar later, en die een groot deel van de Oud-Testamentische geschiedenis bevestigen.

III. MOGELIJKE HARMONISATIES

Bepaalde moeilijkheden lijken erger dan ze in werkelijkheid zijn. Soms is het mogelijk, door een zorgvuldiger studie die de tekst geen geweld aandoet, aan te tonen dat twee schriftgedeelten die men tegen­strijdig acht veeleer elkaar aanvullen. Zoals Warfield zegt74: ‘Het is een grondprincipe van de geschiedkundige wetenschap, dat elke oplos­sing die een mogelijkheid biedt twee feitelijke beweringen met elkaar te doen overeenstemmen, te verkiezen is boven de veronderstelling, dat een van de twee onnauwkeurig of fout is - onverschillig of deze be­weringen gevonden worden bij dezelfde of bij verschillende schrijvers. Het is een erkend feit dat men, als men op een andere wijze handelt, de fout slechts veronderstelt, maar niet bewijst’.

1. De ‘twee scheppingen’. Hoofdstuk 1 en 2 van Genesis zouden, zo beweert men, twee verschillende verhalen van de schepping geven. De tekst zou van verschillende schrijvers afkomstig zijn, en dit verschaft het uitgangspunt voor de theorie van de meervoudige ‘bronnen’ van de Pentateuch. Wij bekennen dat wij, hoe meer wij dit magistrale begin van de geschreven openbaring bestuderen, er des te minder tegenstrij­digheden in vinden, ondanks de duidelijke en natuurlijke verschillen in stijl. Hoofdstuk 1 verhaalt op grootse wijze de voornaamste stadia in de schepping van het heelal. De goddelijke schepper, Elohim, komt er in uit in al Zijn majesteit, almacht en oneindige wijsheid. (Hfdst. 2 zet meer in het bijzonder uiteen wat betrekking heeft op de schepping van de mens. Het Hebreeuwse woord toledoth, in vers 4, dat daar vertaald wordt met ‘geschiedenis’, wordt elf keer in Genesis herhaald (5:1, 6:9, 10:1, enz.). Hier betekent het: ziehier wat er volgde na de schepping van hemel en aarde en het is dus geen verhaal van een nieuwe schepping verschillend van de eerste. God wordt Jahwe­Elohim genoemd, daar de naam Jahwe meer in verband staat met de verlossing. Genesis 2 verhaalt omtrent de mens, zijn twee naturen, de ideale omgeving waarin hij geplaatst is, zijn verhouding tot de dieren, zijn metgezellin. De volgorde van de verzen is niet noodzakelijkerwijs chronologisch. Anders zou God de mens geschapen hebben (v. 7), voordat Hij een plaats voor hem had (v. 8); Hij zou hem twee keer in de hof hebben geplaatst (vv. 8 en 15).

Als wij Genesis 1 en 2 aanvaarden als twee opeenvolgende en aan­vullende taferelen, lijkt ons dit volstrekt geen poging om deze twee verhalen op absurde wijze met elkaar in overeenstemming te brengen (ook al kunnen we niet ieder vers verklaren). Deze twee hoofdstukken vormen de grondslag voor de hele daaropvolgende openbaring en niemand heeft ze ooit door iets beters kunnen vervangen. Als men ze verwerpt betekent dat het verwerpen van het uitdrukkelijk getuigenis van Jezus Christus en de apostelen. Anderzijds is het duidelijk, dat, als we het begin van Genesis in twijfel trekken, we dan de critici de vrije hand laten om zich te ontdoen van de specifieke schepping van de mens, de geschiedenis van het paradijs en die van de zondeval. Het veld ligt dan open voor de ontwikkeling van een godsdienst waarin de inspanning van de mens en de menselijke rede de plaats innemen van de verlossing en de openbaring.

2. De volkstelling van David. Volgens 2 Sam. 24:1 zette God de koning ertoe aan de mensen te tellen, terwijl volgens 1 Kron. 21:1 Satan het deed. Het schijnt ons toe, dat ieder van de teksten een aspect van de waarheid laat zien. Satan valt Job ook aan met de uitdrukkelijke toestemming van God (Job 1:12; 2:6). Saul werd beangstigd door een boze geest die van den Here kwam, (die Hij had gestuurd en die met Zijn toestemming handelde, 1 Sam. 16:14, zie ook 1 Kon. 22:19-23).

3. Heeft Saul de Here geraadpleegd? Aan de ene kant lezen we: ‘Saul vroeg den Here, maar de Here antwoordde hem niet’ (1 Sam. 28:6), aan de andere kant staat er in 1 Kron. 10:13-14: Hij ‘had de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd en hij had niet de Here geraadpleegd. Daarom doodde de Here hem’. Het werkwoord van de eerste tekst is shà’àl: ondervragen, raadplegen. In de tweede tekst is het werkwoord dàrash, dat ook wordt gebruikt in Ps. 77:3, ‘Ik zoek den Here’, en in Psalm 119:10 ‘Ik zoek u met mijn ganse hart’. Het is duidelijk dat Saul de Here heeft geraadpleegd, zoals hij vervolgens de tovenares van Endor raadpleegde; maar hij heeft hem niet gezocht, zoals een gehoorzaam gelovige dat moet doen.

4. De twee geslachtsregisters van Christus. Het ene, in Mattheus (1:1-17), gaat van Abraham tot Jozef de zoon van Jakob en de bruidegom van Maria. Dit wettige geslachtsregister was bedoeld om de Joden te tonen, dat Jezus, de aangenomen zoon van Jozef, van het geslacht van Salomo was, de erfgenaam van de troon van David. Het geslachtsregister van Lucas (3:23-38) begint met Christus, ‘een zoon, naar men meende, van Jozef den zoon van Eli’, en gaat terug tot Adam via Nathan en David. Dit is, naar wij menen, het geslachtsregister van Maria; het laat aan de heidenen zien, dat Jezus de rechtstreekse afstam­meling is van David. Lucas verklaart stellig, dat Christus geen mense­lijke vader heeft; Hij was dus de kleinzoon van Eli, de vader van Maria.

5. De blinden van Jericho. Toen Jezus Zijn laatste tocht naar Jericho maakte, genas Hij een blinde man bij de stadspoort (Lucas 18:35) en nog twee anderen toen Hij wegging (Matth. 20:30, Marc. 10:46). Marcus noemt alleen degene waarvan hij de naam kende: Bartimeus. Aangezien wij geen andere informatie bezitten omtrent deze gedenk­waardige dag, blijven ons slechts veronderstellingen over. Het is moge­lijk, dat de eerste genezing die Jezus verrichtte in Jericho de andere twee blinden de moed gaf om op dezelfde manier tot Hem te roepen toen Hij de stad verliet. Wij weten er niet voldoende van, lijkt het ons toe, om te kunnen beweren dat de schrijvers van de Evangeliën zich vergist hebben. Aan de andere kant heeft de archeologie aangetoond, dat ten tijde van Christus de oude en de nieuwe stad Jericho dicht bij elkaar lagen. Zodoende is het mogelijk, dat de Here de ene stad verliet en vlak daarna de andere stad binnenging.

6. De opstandingsverhalen. Het is duidelijk, dat elk van de vier evangelisten andere details vermeldt betreffende de grote gebeurtenis­sen die plaats vonden op de dag van Pasen. Men heeft hen er een ernstig verwijt van gemaakt, vooral omdat zij de verschillende figuren niet op dezelfde wijze doen optreden. Immers de vrouwen zien één engel, elders twee engelen, deze zitten, dan weer staan ze blijkbaar. De vrouwen vluchten, ontmoeten Jezus, stellen de discipelen op de hoogte. Petrus en Johannes snellen naar het graf. Maria Magdalena blijft hui­lend achter in de tuin en ziet de Here. Deze feiten zijn in geen enkel opzicht met elkaar in strijd. Hun verscheidenheid laat zien, dat elk van de evangelisten datgene verhaalde wat hem het sterkst had getrof­fen. Hun getuigenissen samengevoegd, zijn levendiger en overtuigender dan wanneer zij allen woord voor woord precies hetzelfde verhaal hadden gedaan. Dit weerhoudt Professor Brunner er echter niet van te verklaren, dat een ieder die het verhaal van de opstanding samen­hangend vindt, wel erg dom en niet bepaald eerlijk moet zijn. Waren de apostelen en de gehele eerste Kerk en alle gelovigen tot aan de 19e eeuw zulke domme en oneerlijke mensen?

7. De dood van Judas. Welke verklaring kan men geven voor de ver­schillen tussen de verhalen van Matth. 27:5 en van Hand. 1:16-25? De gebeurtenissen hebben zich blijkbaar als volgt afgespeeld: Judas, vol wroeging, wierp het geld in de tempel en hing zich op, waarschijn­lijk met zijn gordel. De gordel brak of geraakte los en het lichaam viel op de rotsen waardoor het openreet, zoals Hand. 1:18 ons ver­telt. Het was niet toegestaan geld, op een slechte wijze verkregen, in de offerkist te doen (vgl. Deut. 23:18). Het geweten van de over­priesters liet hun geen rust wat de dertig zilverlingen betrof. Ze wei­gerden het geld, omdat zij het beschouwden als verradersgeld; daarna kochten zij in zijn naam het land van de pottenbakker. Gaussen noemt naar aanleiding van deze geschiedenis als voorbeeld een man die zelf­moord pleegde door op de vensterbank van een raam op de vijfde verdieping te gaan staan en zichzelf met een pistool in de mond te schieten. Met vermelding van niet anders dan de juiste feiten, zou men zijn dood op drie manieren kunnen vertellen: Hij schoot zich door het hoofd; hij liet zich uit het raam van de vijfde verdieping vallen; hij deed beide.75

Tenslotte zouden we willen opmerken, dat het Griekse prènès dat in Hand. 1:18 gebruikt wordt over Judas, een omstreden betekenis heeft. Het kan betekenen ‘gevallen’, maar verscheidene geleerden hebben voorgesteld het op te vatten in de betekenis van ‘gezwollen’ of ‘opge­zwollen’. Chase, Hoffatt en Goodspeed gaven de voorkeur aan deze laatste betekenis, evenals Harnack, die nu niet bepaald een fundamen­talist is.76

IV. WERKELIJKE MOEILIJKHEDEN.

Wij erkennen, dat er bepaalde vragen blijven waarop wij op dit ogen­blik althans, geen antwoord hebben, en dat de bijbelse tekst in zijn huidige staat onoplosbare moeilijkheden oplevert, alhoewel deze ge­lukkig zeldzaam zijn en slechts van secundair belang, zoals we zullen zien.

1. De varianten tussen de verschillende manuscripten. De boeken van de bijbel zijn door zoveel handen en gedurende zoveel eeuwen over­geschreven, dat er kleine verschillen, de varianten, in de manuscripten zijn binnengeslopen. De studie van deze varianten is zo belangwekkend dat wij er een apart hoofdstuk aan zullen wijden. Wij zullen zien, dat een dergelijke studie slechts het geloof in een oorspronkelijk foutloos manuscript bevestigt.

2. Vergissingen van de kopiisten. Meestal is een variant maar een zeer geringe afwijking en heeft ze betrekking op een enkele letter. In andere gevallen lijkt de vergissing van de kopiist van meer belang te zijn. In het schriftgedeelte van Hand. 7:16 staat, dat het graf van Sichem, waar Jozef begraven werd, door Abraham was gekocht. Als men Joz. 24:32 vergelijkt met Gen. 23:2-20; 33:19, ziet men dat Abraham de spelonk van Machpela heeft gekocht, terwijl het land van Sichem door Jakob is gekocht. In Matth. 27:9 lezen we, dat de profetie over de dertig zilverlingen van Jeremia is, terwijl we haar vinden in Za­charia 11:13 waarbij het mogelijk blijft dat Zacharia een mondelinge overlevering van Jeremia citeerde.*

3. De Hebreeuwse getallen. In sommige teksten staan getallen die moeilijk precies te begrijpen zijn of die moeilijk in overeenstemming te brengen zijn met schriftgedeelten die dezelfde feiten behandelen. Volgens 2 Sam. 8:4 nam David van Hadadezer zeventienhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk gevangen. In 1 Kron. 18:4 be­lopen deze getallen ‘duizend wagens, zevenduizend ruiters en twintig­duizend man voetvolk’. In 2 Sam. 10:18 staat: ‘David doodde van de Arameeërs zevenhonderd wagenpaarden en veertig duizend ruiters’. In 1 Kron. 19:18 staat ‘zevenduizend wagenpaarden en veertigduizend man voetvolk’. 1 Kon. 4:26 vertelt ons, dat Salomo veertigduizend kribben voor de paarden van zijn wagenpark had en twaalfduizend ruiters. In 2 Kron. 9:25 is het aantal dat vermeld wordt vierduizend stallingen voor de paarden en twaalfduizend ruiters. Nog een vers dat niet gemakkelijk te begrijpen is, is 1 Sam. 6:19. In de Staten-Vertaling staat, dat de Here van de mannen van Beth-Semes... ‘zeventig man en vijftig duizend man sloeg’. In het Hebreeuws staat letterlijk ‘zeventig man, tweeënvijftig en duizend. Bepaalde commentators lezen 70 man­nen 50 oudsten. De nieuwe vertaling van het N.B.G. heeft 70 man, 50 op de duizend.

Zijn dit vergissingen van de kopiisten, of misverstanden omtrent de manier waarop getallen uitgedrukt moeten worden? In elk geval, al zijn de afwijkingen zeer in het oog lopend, zij zijn toch niet erg belangrijk en tasten niet de realiteit aan van de vermelde historische feiten.

4.* Terah en Abram en hun respectieve leeftijden. Volgens Genesis 11:26, verwekte Terah op zeventigjarige leeftijd Abram, Nahor en Haran. Hij verliet Ur met Abram en Lot om naar Haran te gaan, waar hij stierf toen hij tweehonderdvijftig jaar oud was (vv. 31 - 32). Abram kreeg van God de opdracht naar Palestina te gaan en verliet Haran op vijfenzeventigjarige leeftijd. Nu had, volgens Stephanus, de aartsvader de roep reeds verstaan toen hij in Ur was, zijn ware land;

____________

* noot vertaler. * pt. 4 werd ontleend aan de Engelse vertaling van dit boek.

en hij ging weg uit Haran ‘nadat zijn vader gestorven was’ (Hand. 7 2-4). Wat moeten we van deze tegenstrijdigheden denken?

In de eerste plaats geloven we, dat Genesis 11:26 niet betekent, dat de drie zonen van Terah in hetzelfde jaar waren geboren. Aan de andere kant lijkt het erg waarschijnlijk, dat God Abram reeds geroepen had in Ur (vgl. Gen. 15:7; Neh. 9:7), en dat Hij deze oproep bevestigde in Haran. Het vertrek uit die stad werd gekenmerkt door het feit dat de aartsvader Mesopotamië verliet en niet langer aan zijn vader onder­worpen was. Maakte Stephanus gebruik van een gewone Joodse manier van spreken, toen hij dit in verband bracht met de dood van Terah, die in feite later zou plaats hebben? We zouden het niet kunnen zeggen. Professor F. F. Bruce vestigt onze aandacht op het feit dat, volgens de Samaritaanse Pentateuch, Terah stierf toen hij honderd­vijfenveertig jaar oud was; en hij suggereert, dat Hand. 7:4 steun vindt in een zelfde schriftgedeelte in de Septuagint, evenals bij Philo.77 Andere gedeelten uit de redevoering van Stephanus doen ook vermoe­den, dat hij zich aan varianten hield die niet langer in onze tekst van de Septuagint voorkomen, ofschoon ze wel voorkomen in de Samari­taanse Pentateuch.78

5. De vrije citaten uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament en het gebruik van deze citaten in de vertaling van de LXX. Voor dit belangrijke punt dat we reeds uitvoerig behandeld hebben, verwijzen we onze lezers naar deel I, hoofdstuk VI. Onze lijst van ‘werkelijke moeilijkheden’ is inderdaad kort, maar na hetgeen we reeds gezegd hebben in de voorafgaande paragrafen, zien we niet hoe we deze lijst langer kunnen maken met werkelijk belangrijke punten.

V. VERMEDEN VERGISSINGEN.

Tot nu toe hebben we laten zien, dat de voornaamste moeilijkheden in de bijbel die meestal naar voren worden gebracht, niet werkelijk belangrijk zijn. Maar dit is slechts één aspect van de zaak. Het is van belang ook te onderstrepen, dat het geringe aantal daarvan eigenlijk gesproken een wonder is. Hoeveel menselijke vergissingen zouden er zonder de goddelijke tussenkomst, kunnen, zelfs moeten binnengeslo­pen zijn!

Gaussen geeft er, met zijn bekende ijver, een hele lijst van. Hoeveel ongelukkige fouten, hoeveel ernstige blijken van onwetendheid zouden de openbaring noodzakelijkerwijs begeleid hebben als de theopneustie er niet was geweest. Fouten in de keuze van de feiten, in hun waar­dering, in de wijze van voorstellen en in hun betrekking tot de leer; fouten door weglating of door overdrijving. Maar dank zij God is dit niet het geval met onze heilige boeken.79


De bijbel is samengesteld uit 66 boeken die geschreven zijn door ongeveer 45 auteurs; hij heeft 1.189 hoofdstukken en 31.173 verzen, en werd geschreven gedurende een periode van 1.600 jaar. Zoek daarin één enkele van de duizend fouten waarmee de geschriften van de schrijvers van de oudheid vol staan als zij spraken over de aarde en de hemel: u zult er geen vinden.


‘Mozes werd onderricht in de wijsheid van de Egyptenaren. Wie heeft hem ervoor bewaard, toen hij de Pentateuch schreef, de oude Egypti­sche chronologie te aanvaarden, die Manetho later in zijn geschriften vastlegde en die 30.000 jaar voor Christus begint! Wie beïnvloedde Daniël, die bekwaam was in de wetenschap van de Chaldeeën, zodat hij zijn oren sloot voor de monsterachtige Chaldeese fabels over de schepping van de wereld? Paulus was geheel op de hoogte van de wetenschap van zijn tijd. Waarom vinden wij niets in zijn toespraken of brieven dat lijkt op Augustinus’ verachtelijke verwerping van de theorie van de antipoden, of de opvatting van Ambrosius dat de zon water naar zich toe trekt ter verkoeling en ter vermindering van haar intense hitte

Het is de moeite waard kennis te nemen van de theologische veront­waardiging van Lactantius over de theorie van de antipoden: ‘Is er iemand gek genoeg om te geloven, dat er mensen bestaan die hun voeten boven hun hoofd dragen; of dat er bomen bestaan wier vruch­ten naar boven hangen; of regen, sneeuw en hagel die van beneden naar boven vallen? Het antwoord is: ja, dat zijn de lieden die beweren dat de aarde een bol is!

Augustinus was er ook van overtuigd dat de theorie van de antipoden in strijd met de Schrift wase.81

De grofste fouten aangaande zowel de stoffelijke als de goddelijke wereld, vinden we bij Homerus, in de Griekse en Romeinse mythologie, in de verwarde boeken van de Hindoes en in de tradities van de Boeddhisten en de Mohammedanen. De grootste geesten onder de klas­sieke filosofen, zoals Aristoteles, Plato, Plinius, Plutarchus en Lucretius, schreven absurditeiten waarvan één enkele voldoende zou zijn om de hele leer van de inspiratie in diskrediet te brengen als zoiets in de Heilige Schrift voorkwam. Voltaire spotte niet alleen over het bestaan van Ninevé, maar ook over de realiteit van een zondvloed en de moge­lijkheid dat er fossielen zouden zijn overgebleven van dieren uit een primitieve wereld die reeds lang verdwenen was.

Toch spreekt de bijbel over alles. Hij beschrijft de natuur, de schepping, de hemellichamen, het licht, de atmosfeer, de elementen, de bergen, de dieren en de planten. Hij spreekt over de geschiedenis, niet alleen van Israël, maar ook van de rijken rondom Palestina, met hun koningen, hun oorlogen en opeenvolgende regeringen. Het is eenvoudigweg ver­wonderlijk dat hij dit alles voortdurend op zulk een juiste wijze doet.

Tenslotte wijzen we er op, dat de uiterste nauwkeurigheid in het over­schrijven van eigennamen een geleerde als Dr. Robert Dick Wilson bijzonder getroffen heeft: ‘Dat eigennamen (van de koningen van Egypte, Assyrië, Babylon, etc.) op zulk een volmaakte wijze tot ons gekomen zijn, hoewel ze zo vaak gekopieerd zijn in de loop van zo vele eeuwen, is een verschijnsel zonder weerga in de geschiedenis van de literatuur. De secretaris van Assurbanipal zette, toen hij de naam Psammetichus, de koning van Egypte van zijn tijd, overschreef, een t in plaats van een p aan het begin, en een i in plaats van een t in het midden. Abulfeda, de schrijver van de preïslamitische Arabische geschiedenis, gaf de namen van de koningen van Perzië van het ge­slacht van Achaeménides weer op een nauwelijks herkenbare manier en schreef Bactnosar in plaats van Nebukadnezar. In de lijst van de met­gezellen van Alexander, die gegeven wordt door de Pseudo-Callisten, is bijna iedere naam op een dusdanige manier gewijzigd, dat ze niet meer te herkennen zijn; en hetzelfde geldt voor de meeste namen van de koningen van Egypte die vermeld staan in de lijsten die tot ons gekomen zijn van Manetho, Herodotus en Diodorus van Sicilië, even­als de namen van de koningen van Assyrië en Babylon vermeld door Africanus, Castor, en de Canon van Ptolemeiis’.82

VI. CONCLUSIE.

Tot besluit van dit hoofdstuk willen we in de eerste plaats constateren, dat al blijven er onbetwistbaar moeilijkheden in de bijbel, kwesties die we niet kunnen verklaren, dit ons toch beslist niet hoeft te verontrus­ten. We zullen toch nooit een bevredigend antwoord op alle problemen kunnen geven; en het is ook niet langs deze weg dat wij er in zullen slagen de foutloosheid van de bijbelse tekst volledig te bewijzen. Dat zou een rationalistische oplossing zijn, waar geen plaats meer gelaten worden zou voor het geloof. Wij geloven in de foutloosheid op grond van de uitspraken van de Schrift, en wij houden vol, dat de schijnbare moeilijkheden niet voldoende zijn om deze leer te verwerpen. Twee of drie kleine gaatjes in een historische koninklijke mantel en een onbe­duidend lapje dat erop genaaid is, zouden op geen enkele manier afbreuk kunnen doen aan zijn verheven oorsprong. Als hij er gloed­nieuw uit zou zien, dan zou men zijn oudheid en echtheid in twijfel trekken. Die kleine onvolmaaktheden bevestigen in feite zijn luisterrijke oorsprong en de wonderlijk goede staat waarin hij bewaard is gebleven. Met betrekking tot de originele manuscripten hebben we de vraag al opgeworpen waarom het Gode niet goed gedacht heeft de tekst zonder enige onduidelijkheid aan ons te doen overbrengen. Wij geloven dat Hij hiermee beoogde ons geloof op de proef te stellen. In Zijn vol­maakte menswording had Jezus Christus ‘geen gedaante dat wij hem zouden hebben begeerd’ en ‘gestalte noch luister’ (Jes. 53:2). Zijn persoon, Zijn woorden en Zijn werken zijn voldoende om iedereen die ertoe bestemd is in Hem te geloven, te overtuigen van Zijn godheid. Maar Hij drong zich nooit op een imponerende wijze op en tot aan het einde van Zijn leven op aarde, vonden Zijn tijdgenoten duizend redenen om aan Hem te twijfelen. Hetzelfde geldt voor de Schrift. Voor ons, die door haar tot geloof in Christus zijn gekomen, is de volle inspiratie en het gezag van de bijbel heel duidelijk. De enkele proble­men die we tegenkomen, rekenen wij tot die zaken die moeilijk met elkaar in overeenstemming zijn te brengen of die moeilijk te begrijpen zijn, en wij blijven daarbij volharden in een geloofshouding. Zoals Charles Hodge zegt, deze zaken hebben niet meer betekenis in het geheel van de tekst, dan een korrel zandsteen die hier of daar in het marmer van het Parthenon voorkomt betekenis heeft in het gehele bouwwerk.83

Dit willen we nogmaals benadrukken: het is slechts een heel klein gedeelte van de bijbel waarop de enkele problemen die nog niet zijn opgelost betrekking hebben.

We zullen tot dezelfde conclusie komen betreffende de varianten, die slechts betrekking hebben op één op de 1.580 letters in het Oude Testament en op niet meer dan één-duizendste gedeelte van de tekst van het Nieuwe Testament. Zij die vanwege dat zeer kleine gedeelte waaromtrent onzekerheid bestaat zeer beslist erin volharden de gehele Schrift in twijfel te trekken, beroven zich daardoor van de goddelijke bevestiging die van de tekst uitgaat. Zij vinden voortaan niets anders dan tegenstrijdigheden en vergissingen, daar waar het eenvoudige kind van God wonderlijk gebouwd en verlicht wordt in zijn geloof. Het is grievend de critici te horen verklaren, dat het een opluchting is niet langer wanhopige pogingen te hoeven doen om de verschillende schrift­gedeelten met elkaar in overeenstemming te brengen en om niet langer hun toevlucht te hoeven nemen tot de weinig oprechte kunstgrepen van de apologetiek om hun twijfel te onderdrukken. Nu ze, zoals zij het noemen, tot de ‘vrijheid’ en het ‘licht’ zijn gekomen, kunnen ze alles bekritiseren, verkorten en weglaten, wat niet met hun op zichzelf feilbaar oordeel overeenstemt. Wij vrezen, dat deze nutteloze pogingen, die zij nu verworpen hebben, eenvoudig voortkwamen uit het feit, dat zij probeerden te zien zonder het licht dat van boven komt. Robert Watts heeft terecht de volgende woorden tot zulke mensen gericht: ‘Het grondbeginsel van uw theorie is een simpele conclusie getrokken uit de schijnbare tegenstrijdigheden die nog niet verklaard zijn, terwijl de grondslag van de onze wordt gevormd door stellige uitspraken van de profeten, de apostelen en van Jezus Christus Zelf’.84

Laten we tot slot naar de getuigenissen van enkele mannen Gods luis­teren over de houding die wij moeten aannemen ten opzichte van het onderwerp dat wij behandelen.

Augustinus schreef aan Hieronymus: ‘Als ik hier of daar stuit op iets wat niet overeen lijkt te komen met de waarheid, dan lijdt het voor mij geen twijfel, dat óf de overschrijver een fout heeft gemaakt, óf dat de vertaler niet precies de gedachte van de originele tekst heeft weerge­geven, óf dat ik de zaak niet begrijp’.



Erich Sauer voegt, nadat hij het bovenstaande heeft aangehaald, daar nog aan toe: ‘Hoe het ook zij, het geloof kan wachten ... De moeilijk­heid kan enkel en alleen uit de weg geruimd worden indien het geloof zich onderwerpt aan het goddelijke Woord. Maar tegelijkertijd zal de gelovige zich er rekenschap van geven, dat de kerkelijke en theologische wetenschap dikwijls haar eigen begrips- en geloofsmoeilijkheden heeft geschapen door deze gedeelten van de goddelijke openbaring met on­juiste vóóronderstellingen te benaderen’.85

P. Rader, van de Courrier (V.S.), heeft in 1930 duizend dollar aange­boden aan ieder die één enkel bewijs kon leveren, dat de bijbel in strijd was met één enkel wetenschappelijk aangetoond feit op een van de volgende gebieden: de geschiedenis, de geologie, de archeologie, de astronomie, de natuurkunde, de scheikunde, de etnologie, enz. Nie­mand heeft ooit aanspraak kunnen maken op het geld.

A. Luscher, die dit feit aanhaalt, voegt eraan toe dat er inderdaad een zeer groot verschil is tussen een hypothetische kennis en bewezen feiten.86

Laten we nogmaals de uitspraak aanhalen die R. Dick Wilson deed toen hij aan het eind van zijn studie was gekomen: ‘Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat niemand genoeg weet om de waarachtigheid van het Oude Testament aan te vallen. Telkens wanneer iemand genoeg ‘bewijsmateriaal’ bij elkaar had weten te krijgen om een onderzoek in te stellen, hebben de bijbelse feiten, vermeld in de grondtekst, de proef glansrijk doorstaan’.87

Tenslotte, we delen volledig de mening van J. C. Ryle, de Anglicaanse bisschop van Liverpool die gezegd heeft: ‘Ik heb liever de theorie van de volle woordelijke inspiratie, met al zijn moeilijkheden, dan de twijfel. Ik aanvaard de moeilijkheden en wacht nederig af tot ze opge­lost zullen zijn. Maar terwijl ik wacht, blijf ik op de rots staan’.88


HOOFDSTUK XI



Dostları ilə paylaş:
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə