Inspiratie en het gezag van de Bijbel


Deel V Het gezag van de Schrift



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə22/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

Deel V

Het gezag van de Schrift


HOOFDSTUK I

Het bovennatuurlijke van de Schrift


Van het begin tot het eind verkondigt de Schrift haar goddelijke inspiratie. De profeten, Christus en Zijn apostelen bevestigen haar onvoorwaardelijk. De synagoge en de eerste gemeente geloofden er ook volstrekt in. Maar zijn er in de bijbel innerlijke kenmerken die zijn bovennatuurlijke oorsprong bevestigen? Die zijn er ongetwijfeld, en God heeft gewild, dat de bijbel zijn eigen bewijs zou leveren. Hij heeft niet gewild, dat de uiterst belangrijke kwestie van het gezag van de Schrift zou afhangen van nauwgezette onderzoekingen waarvoor alleen geleerden de tijd en de capaciteiten hebben, of van abstracte en metafysische redeneringen die buiten het bereik liggen van gewone stervelingen. Het gezag en de oorsprong van de Schrift moeten duidelijk blijken uit de bladzijden van de bijbel. Hierbij komt natuurlijk het inwendige getuigenis van de Heilige Geest, want zonder dit getuigenis kan er geen waar en levend geloof zijn in het Woord van God.210

I. DE VERHEVEN OPENBARING VAN GOD EN VAN JEZUS CHRISTUS.

De Schrift, die zegt Gods Woord te zijn, schildert een uniek beeld van Hem, dat iedere menselijke voorstelling van de godheid te boven gaat. ‘De HERE is groot en zeer te prijzen, geducht is Hij boven alle goden; want alle goden der volken zijn afgoden, maar de HERE heeft den hemel gemaakt’ (Ps. 96:4-5). Uitgezonderd enkele zeldzame overblijfsels van de oorspronkelijke openbaring, geven de Babylonische, de Egyptische, de Griekse, de Romeinse, de Germaanse, de Keltische, de Hindoeïstische, de Chinese en andere mythologieën blijk van een volledige aftakeling van ieder begrip van waarheid, heiligheid en zekerheid.

De God van de bijbel is de enige ware God, Geest, Schepper, de soevereine Heer van het heelal, glorierijk, eeuwig, heilig, volkomen wijs, niet te kennen in Zijn wezen, volmaakt rechtvaardig - Hij is de bron van onpeilbare liefde die voor eeuwig opwelt uit de diepten van Zijn Vaderhart.

Hij is ook de Verlosser die leed in een vereenzelviging met zijn gevallen schepselen, en die naar hen toekwam door de openbaring en de menswording, om het grootse plan van God voor het heil van de mensen - en tegen welk een prijs - te bewerken.

Ook de persoon van Jezus Christus gaat elke aardse gedachtengang te boven. ‘Zoiets kan men niet bedenken’. Geen enkele menselijke schrijver zou onder de zonen van ons ras een zo zuivere en stralende figuur hebben kunnen bedenken. ‘Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt!’ (Joh. 7:46). Nooit heeft iemand zó geleefd, geleden en liefgehad als Hij. Omdat Hij is opgestaan uit de dood is alleen Hij in staat ons met Hem op te wekken tot nieuw leven.

Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, is het bewijs bij uitstek van de goddelijke inspiratie van het Woord dat een boek is geworden. Hij is er zelfs het enig werkelijk noodzakelijke bewijs van. Hij die, door het geloof en de verlichting van de Heilige Geest, in Hem de levende God heeft ontmoet in de bladzijden van het heilige boek, heeft geen ander bewijs nodig. Hij roept uit: ‘Eén ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan’ (Joh. 9:25) ... Deze mens-God - en dit Boek -hebben mij tegelijkertijd ziende en levend gemaakt! ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar thans (nu ik U heb gelezen) heeft mijn oog U aanschouwd’ (Job. 42:5).

II. DE UNIEKE OPENBARING AAN DE MENS.

Aan zich zelf overgelaten kan de mens, in zijn huidige gevallen staat, het wezenlijke van zijn natuur en van zijn bestemming niet kennen. Waar komt hij vandaan, wat is het doel van zijn bestaan, zijn lijden, zijn dood, wat is zijn uiteindelijke bestemming? Hij weet het niet. Alle aardse godsdiensten en filosofieën die elkaar door hun tegen­stellingen opheffen, laten de mens op elk gebied in onzekerheid en duisternis.

Alleen de Schrift, het Woord van de Schepper Zelf, geeft een antwoord op deze vragen. Zij onthult de mens zijn oorsprong, z’n oneindig ver­heven afkomst, namelijk dat hij geschapen is naar het beeld van God. Zij verklaart door de zondeval de tegenstrijdige toestand waarin hij zich bevindt, heen en weer getrokken tussen goed en kwaad, geluk en leed, leven en dood. Voor deze spiegel ziet de mens met verwondering zijn hart blootgelegd. Hij voelt zich betrapt, terechtgewezen en ver­oordeeld; maar tegelijkertijd geroepen, bemind, gewaardeerd en in zijn eer hersteld. De auteur van de Schrift is alwetend, Hij heeft de mens geschapen: niemand hoeft Hem te vertellen wat er in Zijn schepsel is. De bijbel toont een beeld, kort samengevat, van heel het menselijk wezen, hij brengt zijn diepste beweegredenen aan het licht, zijn geheime hartstochten, zijn niet vermoede mogelijkheden (vgl. 1 Cor. 14:25).

Nooit heeft een boek gesproken zoals dit boek, en de mens her­kent, door Gods Geest geleid (Joh. 10:3), in deze stem de stem van de Vader die hem leidt op de weg van het eeuwige leven.

Vanaf dat ogenblik weet hij waar hij naar toe gaat, hij ontdekt de zin van de geschiedenis van zijn eigen bestemming, hij bereidt zich voor op het komende koninkrijk en hij leeft nu reeds met het oog gevestigd op de eeuwigheid. Wij zien werkelijk met Paulus in dat deze dingen in geen mensenhart zijn opgekomen: zij dragen in zichzelf het bewijs van hun bovennatuurlijke oorsprong (1 Cor. 2:9-10).

III. HET HEILSPLAN, ONBEGRIJPELIJK VOOR DE MENSELIJKE GEEST.

Als wij nog eens de verschillende godsdiensten vergelijken met het bijbelse geloof, dan constateren wij het volgende. De menselijke systemen kunnen geen waarachtig heil bieden, omdat zij niet de drie­maal heilige God kennen, Zijn absolute eisen, Zijn veroordeling van elke overtreding van Zijn wet. Omdat zij niet de ware betekenis van de zonde kennen, hebben zij hier ook in ‘t geheel geen oplossing voor. De mens is niet onherroepelijk verloren en hij kan zich zelf verlossen door zijn eigen pogingen, door zijn ‘goede werken’. Hij redt dus zichzelf, of liever gezegd, hij redt zich helemaal niet, en zijn geweten dat ondanks alles niet tot rust komt, vindt nooit de zekerheid van de vergeving.

De bijbel daarentegen verkondigt, zoals alleen God dat kan doen, de schuld, de machteloosheid en het eeuwig verderf van de mens. Vervolgens laat hij de Here zien die uit liefde al onze schuld voldeed aan het kruis en ons om niet Zijn onbegrijpelijke genade biedt en daarbij de verzekering van het volle heil. Onze hele toekomst, op aarde en in de hemel is voortaan geconcentreerd in de persoon van Hem die zal komen om voor eeuwig te heersen.

Welke menselijke schrijver, welk godsdienstig genie zou ooit een boodschap hebben bedacht die tegelijkertijd zo vernederend is voor de trotse zondaar en zo wonderbaarlijk voor de berouwvolle gelovige? Paulus heeft reden om uit te roepen: ‘God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoor­grondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! Want: wie heeft den zin des Heren gekend? ... Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid’ (Rom. 11:32-36).

IV. DE PROFETIËN, HET BEWIJS VAN DE GODDELIJKE INSPIRATIE.

1. Alleen God is alwetend en daarom in staat de toekomst te voor­zeggen.

Hij is eeuwig, tijd speelt voor Hem geen rol, en de dag van morgen, en zelfs de eeuwigheid, zijn voor Zijn ogen even tegenwoordig als de dag van vandaag. Geen valse god, geen andere godsdienst op aarde heeft ooit profetieën voortgebracht die te vergelijken zijn met die van de bijbel. ‘Wie heeft het van den aanvang af bekend gemaakt ... En tevoren, zodat wij moeten zeggen: Hij heeft gelijk? ... Er is niemand; en zie Ik naar hen, dan is er geen raadsman ... Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder u ... die de aankondiging mijner boden volvoer’ (Jes. 41:26, 28; 43:12, 44:26). Waarzeggerij en toverij kwamen echter heel vaak voor in de wereld van toen (evenals in onze moderne wereld). Er waren overal veel orakels, profetessen, de priesteressen van Delphi en andere plaatsen, sterrenwichelaars en waarzegsters. Men kan de valse profeten herken­nen aan het feit dat hun voorspellingen niet uitkomen (Deut. 18:20-22) of dat hun dubbelzinnige uitspraken zich tot iedere interpretatie lenen (de orakels van Delphi, Nostradamus, enz.). Zonder de goddelijke inspiratie is profetie zoiets riskants, dat de zogenaamde heilige boeken van de menselijke godsdiensten praktisch geen profetieën bevatten.

2. Profetie neemt in de Schrift een belangrijke plaats in.

In het Oude Testament zijn zeventien van de negen en dertig boeken profetische boeken, ongerekend de vele voorspellingen in bijvoorbeeld de boeken van Mozes en in de Psalmen. In het Nieuwe Testament zijn hele hoofdstukken van de evangeliën, vele gedeelten in de brieven en ook de hele Openbaring van Johannes eveneens gewijd aan de profetie. Het gaat dus niet om een paar raadselachtige zinnen waar iemand uit op kan maken wat hij wil, maar om belangrijke gebeurtenissen die lang van te voren zijn aangekondigd, de kleinste bijzonderheden die letterlijk zijn uitgekomen en een groot aantal verifieerbare omstandig­heden, die alleen God op zo’n manier kon voorzeggen!

Terwijl men gemakkelijk duizend fouten zou hebben kunnen vinden bij menselijke profetieën van een dergelijke lengte, ‘is het zeer opmer­kelijk dat men in geen enkel geval kan aantonen dat een bijbelse profetie door de feiten gelogenstraft is’.211

3. Grote profetische thema’s.

We zullen nu enkele profetieën de revue laten passeren waar de aangekondigde vervulling zich leent voor een onweerlegbare verificatie.

a. Israël

Het verblijf in Egypte van de nakomelingen van Abraham gedurende 400 jaar (Gen. 15:13-16)

Uit Juda zullen de koninklijke familie en de Koning der koningen voortkomen (Gen. 49:10)

Israël zal voor altijd een afgescheiden volk zijn (Num. 23:9)

De ontrouw, de gevangenschap en de verstrooiing van het volk (Deut. 28:20-66; Lev. 26:14-39)

De 10 stammen van Israël werden vijfenzestig jaar van te voren ge­waarschuwd, dat de koning van Assyrië hen in ballingschap zou voeren (Jes. 7:8-20). Juda’s ballingschap in Babylon gedurende 70 jaar (Jer. 25:11; 29:10).

Na de verwerping van de Messias zullen Jeruzalem en de tempel verwoest worden (Dan. 9:25-26; Mt. 24:1-2, 34).

De verstrooiing van Israël over de gehele wereld en zijn lijden (Luc. 21:20-24; Deut. 28:64-67).

Het Joodse ras zal ondanks alles blijven bestaan tot het eind der tijden (Jer. 31:35-36), terwijl alle grote volken uit de oudheid ver­dwenen zijn.

Israël zal teruggebracht worden naar het land zijner vaderen, een verlaten wildernis, die weer zal opbloeien (Ezech. 36-37).

b. de Messias

Wij hebben reeds (in Deel IV, hoofdstuk I, paragraaf II) de vervulling van de Messiaanse profetieën aangehaald, die alleen al worden vermeld in het Evangelie naar Mattheus. Welnu, men bevestigt dat 333 van de profetieën over Christus in vervulling zijn gegaan! Volgens de waarschijnlijkheidsberekening is er een kans van één op de 83 miljard dat zóveel voorspellingen vervuld zouden worden in één enkele persoon.212 Zo’n ‘kans’ bestaat vanzelfsprekend niet en alleen de alwetende God heeft op zo’n manier kunnen voorzeggen en han­delen.

c. De volkeren.

Veel historische gebeurtenissen buiten Israël zijn eveneens voorwerp van profetie geweest:

De totale verwoesting van Ninevé, de trotse hoofdstad van Assyrië (Zef. 2:13-15; Nahum);

de dramatische val van Babylon (Jes. 13; 21:1-10); het oordeel over Egypte en het uiteindelijke verlies van zijn over­heersende macht (Ezech. 29, vooral vv. 15-16);

de opkomst en het verval van de rijken die op het Babylonische rijk volgen, de rijken van de Meden en de Perzen, Griekenland (met Alexander en zijn opvolgers), en tenslotte Rome, zonder dat het ge­noemd wordt (Dan. 2; 7-8, enz.).

De befaamde profetie van de zeventig weken van Daniël 9 die nauw­keurig aangeeft hoe lang het zal duren totdat de Messias zal verschij­nen, en ook welke rol de volkeren zullen spelen in verband met Zijn komst;

De inneming van Tyrus door Nebukadnezar na een beleg van dertien jaar en het lot dat Alexander haar uiteindelijk deed ondergaan (Ezech. 26; Jer. 27:1-11).

d. De eindtijd.

Christus en de profeten van het Oude zowel als het Nieuwe Testament hebben de ontknoping van de geschiedenis tot in details afgeschilderd, wat des te aangrijpender is vanwege het feit dat dit in grote trekken overeenkomt met hetgeen voor onze ogen in vervulling begint te gaan. Er zal een dag komen waarop de aarde vervuld zal zijn met mensen, volgens het gebod dat geschreven staat in Genesis 1:28 (over twintig jaar zullen er waarschijnlijk 6 miljard mensen zijn).

Het evangelie van Christus zal aan alle volkeren gepredikt worden; dan zal het einde komen (Matth. 24:14). Wat een vermetele uitspraak van de nederige timmerman van Nazareth! En toch is de bijbel, in zijn geheel of gedeeltelijk, in duizenden talen vertaald en wordt hij in verschillende vormen gepredikt: door het gesproken woord, door literatuur, grammofoonplaten, radio en televisie, zo dat allen de bijbelse boodschap kunnen horen (zie onder paragraaf VII van dit hoofdstuk. Desondanks zullen de meeste mensen hun harten verharden in on­geloof en in hun verwerping van morele en geestelijke waarden (Matth. 24:10-12). Deze uitspraak behoeft geen commentaar.

Oorlogen zullen steeds heviger worden en meer universeel (Matth. 24:6-7; Openb. 6:4, 8). De vrede zal van de aarde weggenomen worden: een ontzaglijk groot deel van de mensheid zal uitgeroeid worden: deze dingen zijn maar al te goed mogelijk in ons atoom­tijdperk.

De godsdienstvervolgingen zullen steeds erger worden (Matth. 24:8-10). Na de vernietiging van 5 of 6 miljoen Joden in deze twintigste eeuw, zal niemand kunnen beweren, dat deze voorzegging onuitvoer­baar is (vgl. Dan. 12:7; Zach. 13:8-9).

De mensheid gaat een universele regering tegemoet, nl. de dictatuur van de antichrist waarvan de profeten hebben gesproken (Dan. 7:24-26; 2 Thess. 2:3-12; Openb. 13:1-8).

Dit alles zal samenvallen met buitengewone gebeurtenissen in Pales­tina, waar de nog ongelovige Joden terug zullen keren naar hun land (Ezech. 37; Matth. 24:15-16).

Jezus Christus heeft ons ernstig gewaarschuwd: ‘Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt’ (Luc. 21:28).

Nogmaals, vormen deze profetieën niet een verzameling onweerlegbare bewijzen van de goddelijke inspiratie van de Schrift?

4. De geestelijke waarde van de bijbelse profetieën.

Waarzeggerij heeft als doel de nieuwsgierigheid of de belangstelling van de mens te bevredigen. De bijbelse profetie daarentegen, bevat altijd een element van ernstige waarschuwing en bemoediging met het oog op de verwezenlijking van het plan van God. Als de Here de toekomst onthult, openbaart Hij iets van Zichzelf en bereidt Hij de mens voor Hem te ontmoeten. Zo doet Hij Zijn wijsheid, Zijn alwetend­heid, Zijn almacht en Zijn eeuwigheid op onweerstaanbaar heerlijke wijze stralen. De profetieën betreffende Israël hebben een pedagogische waarde. De profetische figuur van de Messias gaat elk begrip en zelfs elke verwachting van het uitverkoren volk te boven; de profetieën zijn bedoeld om deze mensen voor te bereiden Hem te ontvangen. De voor­spellingen over de volkeren zijn niet overeenkomstig de normen van de menselijke politiek, maar in overeenstemming met die van het koninkrijk Gods. De uitbeelding van het eind der tijden moet een oriënteringspunt zijn in heel ons leven en in al onze activiteiten. Het visioen van de zege van de Heer, doet ons de wereld in een juist perspectief zien, en plaatst ons nu reeds in het teken van de eeuwigheid. Alleen een goddelijke boodschap kan dergelijke resultaten opleveren. Niemand anders dan God kan geheimen onthullen (Dan. 2:20-23). Dat wat Hij ons van te voren zegt versterkt ons geloof als wij het in vervulling zien gaan (Joh. 13:19; 14:29).

V. DE LEVENSKRACHT DIE VAN DE BIJBEL UITGAAT.

1. Het Woord van God is levend en krachtig.

Het eeuwige Woord heeft door een woord de wereld geschapen (Hebr. 11:3). Er gaat een bovennatuurlijke kracht uit van het geschreven woord, het levende woord van de Here. ‘Is niet mijn woord zó: als een vuur, luidt het woord des Heren, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt? ... Zie, Ik maak mijn woorden in uw mond tot vuur en dit volk tot hout en het zal hen verteren’. (Jer. 23:29; 5:14).

Nadat de schrijver van de brief aan de Hebreeën heeft gesproken over de boodschap die het volk in de woestijn had ontvangen en die in de Psalmen door de Heilige Geest bevestigd werd, besluit hij met de volgende woorden: ‘want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten ... alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wien wij rekenschap hebben af te leggen’ (3:7; 4:12-13).

2. De Schrift overtuigt van zonde en doet ons geweten ontwaken.

Omdat de Schrift uitdrukking geeft aan de wet van God en aan Zijn wil, doet zij onze ongehoorzaamheden scherp uitkomen en velt zij het oordeel over ons dat wij verdienen. Zij laat ons, net als in een spiegel, ons natuurlijke gezicht zien, dat anderen zó gemakkelijk zien, maar dat wij zelf niet zien (Jac. 1:23). Als wij eerlijk zijn brengt deze ontdekking ons in grote verwarring. Ook de Heilige Geest beves­tigt in ons de ernst van de uitspraken van de Schrift. Het Woord des Heren zal ons oordelen ten jongsten dage (Joh. 12:48). En Mozes zal zijn lezers die geen berouw hebben getoond, aanklagen bij God. (5:45).

Het is gemakkelijk aan te tonen, dat iedere opwekking in Israël ver­oorzaakt werd door een herontdekking van de Schrift en de over­tuiging van de zonde die daardoor onmiddellijk in de harten werd teweeggebracht. Op een dag bracht men Josia het boek der wet dat in de tempel lag en dat men totaal vergeten was. ‘Zodra de koning de woorden der wet hoorde, ... scheurde hij zijn klederen. Toen gebood de koning ... Gaat den HERE raadplegen ... over de woorden van het boek dat gevonden is, want groot is de gramschap des HEREN, die Zich over ons uitgestort heeft, omdat onze vaderen het woord des HEREN niet in acht genomen hebben, en niet hebben gehandeld overeenkomstig al wat in dit boek geschreven staat’ (2 Kron. 34:14-21).

Ten tijde van Jeremia, vroegen alle vorsten van het volk of Baruch hun de boodschap wilde voorlezen die de profeet had opgeschreven. ‘Toen zij al de woorden (van de Here, die in het boek stonden geschre­ven) gehoord hadden, uitten zij onder elkander hun vrees en zeiden: ‘Stellig moeten wij al deze woorden aan den koning overbrengen’. Maar de koning, die geheel niet ontzet was, sneed het boek met een schrijversmes in stukken en wierp het in het vuur. Om deze reden, sprak de Here een verschrikkelijke straf uit over hem, zijn huis en zijn volk (Jer. 36:1-31).

Na de ballingschap wijdden Ezra en Nehemia, met het volk, zich opnieuw op plechtige wijze toe aan God. Het is duidelijk, dat dit geschiedde door een openbare voorlezing van de Heilige Schrift. De uitwerking was zodanig, dat de leiders tot de mensen zeiden: ‘Bedrijft geen rouw en weent niet! Want het gehele volk weende, toen het de woorden der wet hoorde’. Toen werd er gevast: ‘Men las voor uit het boek der wet van den HERE, hun God ... een vierde deel van den dag; en een ander vierde deel deden zij belijdenis en bogen zich neer voor den HERE hun God’. (Neh. 8:1-9, 10; 9:1-3).

Wie van Gods kinderen is niet door het Heilige Boek ontdekt aan zijn staat van verlorenheid voor de soevereine Rechter, zodat hij, net als de Samaritaanse vrouw, uitroept: ‘Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb’ (Joh. 4:39)? En zijn alle geestelijke vernieuwingen in de geschiedenis van de Kerk, evenals in Israël, niet allemaal zonder uitzondering teweeggebracht door een terugkeer tot de Bijbel? Neem bijvoorbeeld de Waldenzen van Lyon en van Piémont, Wycliffe en de Lollards in Engeland; Joh. Huss en de Boheemse broederen, de grote Hervormers Luther, Calvijn, Zwingli, Knox; de Piëtisten en de Mora­vische broeders uit de achttiende eeuw; Haldane en de mannen van het Réveil van Genève in de negentiende eeuw, enz.

Voor ieder tijdperk geldt de uitspraak van Jesaja: ‘Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad’ (Jes. 8:20).

3. Het Woord des levens doet de zondaar wedergeboren worden.

Menselijke boeken, zelfs de allervroomste, hebben in zichzelf geen leven. Zij kunnen hoogstens een echo zijn van de hemelse boodschap. De Heilige Schrift, het levende en blijvende Woord van God, werkt als een onvergankelijk zaad om ons wedergeboren te doen worden, dat wil zeggen, om ons geestelijk levend te maken (1 Petr. 1:23-25). Haar boodschap, gepreekt of geschreven, is het Woord des levens, dat licht geeft in de wereld (Fil. 2:15). Het is werkzaam in degenen die geloven (1 Thess. 2:13), want het is Geest en leven. De wet zonder de Geest (de ‘letter’) veroordeelt en doodt; maar de Geest die het Woord levend maakt brengt door het Woord het eeuwige leven over (Joh. 6:63; 2 Cor. 3:3, 6).

‘Het evangelie ... is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft’ (Rom. 1:16). ‘Geloof is uit het horen, en het horen door het woord van Christus’ (10:17). Paulus schreef aan de Corinthiërs: ‘Ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt’ (1 Cor. 4:15).

Jezus, tenslotte, riep uit: ‘Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit den dood in het leven’. (Joh. 5:24).

Zulke beweringen zijn niet alleen maar loze praatjes. Er zijn duizenden, ja zelfs miljoenen mensen waarvan men kan zeggen dat het contact met de Schrift hun leven letterlijk heeft vernieuwd. Wij zullen drie beroemde voorbeelden citeren:



Augustinus leidde dertig jaar lang een onstuimig leven, waarbij pogin­gen om het goede te doen afgewisseld werden door tijden van ellende waarbij hij weer tot zonde verviel. Toen hij zich op een dag weer diep ongelukkig voelde en zuchtend in zijn huis liep, hoorde hij vanuit een naburig huis een kinderstem zingen ‘Neem en lees! Neem en lees’. Hij ging de boekrol halen die de brieven van Paulus bevatte en zijn blik viel op Rom 13:14. Toen was alles door een woord beslist. Jezus had overwonnen. Augustinus wilde meteen niets anders meer weten: hij gaf zich gewonnen. ‘Toen ik die zin gelezen had, vertelt hij, stroomde er licht en zekerheid in mijn ziel en de hele nacht van al mijn twijfel was verdwenen’.213

Luther, verpletterd onder zijn zondelast en uitgeput door zijn nutteloze kastijdingen, beklimt in Rome op zijn knieën de befaamde Pilatustrap. Plotseling wordt hij met onweerstaanbare kracht gegrepen door een eenvoudig woord uit de Schrift, namelijk Rom. 1:17: ‘De recht­vaardige zal uit geloof leven’. Dat woord is genoeg, en de Reformatie is begonnen, die de Bijbel, de Heiland, de vrijheid van de kinderen Gods en de verzekering van het eeuwige leven terugbrengt aan de mensen.

Wesley had theologie gestudeerd in Oxford, terwijl hij poogde een vroom leven te leiden op een methodische manier (daarvan komt het woord ‘methodist’); vervolgens wilde hij zendingswerk beginnen in Amerika, ofschoon hij nog geen zekerheid had van zijn heil. Maar op 24 mei 1738 sprak God tweemaal tot hem door verzen van de bijbel (2 Petr. 1:4 en Ps. 130). ‘Die avond’, aldus vertelt Wesley, ‘begaf ik mij met tegenzin naar een bijeenkomst in Aldergate Street, waar ik Luthers inleiding op de brief aan de Romeinen hoorde voorlezen. Tegen kwart voor negen, bij het horen van de beschrijving die hij geeft van de verandering die God in het hart teweegbrengt door het geloof in Christus voelde ik, dat mijn hart op een vreemde manier verwarmd werd. Ik voelde, dat ik mijn vertrouwen op Christus stelde, op Christus alleen voor mijn zaligheid; en ik ontving de verzekering, dat Hij mijn zonde had weggenomen en dat Hij mij had gered van de wet der zonde en des doods’.214

Omdat ons leven, dankzij de bijbel, op deze zelfde manier volkomen veranderd is, getuigen wij van de vernieuwende kracht die van hem uitgaat. Alle argumenten die tegen hem ingebracht worden kunnen ons er niet van weerhouden te antwoorden: ‘Want ik weet, op wien ik mijn vertrouwen heb gevestigd’ (2 Tim. 1:12); en ‘Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken’ (2 Cor. 4:13).

4. De Schrift heiligt de gelovige.

‘Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat’ (Matth. 4:4). Nadat dat Woord het kind van God levend heeft gemaakt, voedt het hem en doet het hem opwas­sen. ‘Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is’ (1 Petr. 2:2-3). De Psalm­dichter roept uit: ‘Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde. Ik verlustig mij in uw wet. Hoe aangenaam zijn uw redenen voor mijn verhemelte, meer dan honing voor mijn mond! Ik doe mijn mond wijd open en hijg, want ik verlang naar uw geboden’ (Ps. 119:20, 70, 103, 131).

Dit verlangen van de pasbekeerde christen, elke dag opnieuw, naar het Woord van God is een onbetwistbaar feit. Telkens als hij het Woord overdenkt, wordt hij daardoor gesterkt, getroost en gewaar­schuwd. Dus ook hier geeft de Schrift nogmaals door de feiten blijk van haar bovennatuurlijk karakter.

Jezus Zelf bad: ‘Heilig hen in Uw waarheid. Uw woord is de waarheid’. (Joh. 17:17). Hij voegde eraan toe: ‘Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb’ (Joh. 8:31-32; 15:3). Christus heeft zichzelf voor Zijn gemeente overgegeven ‘Om haar te heiligen ... met het woord’ (Efz. 5:26). ‘Jongelingen, ... gij zijt sterk, ... het woord Gods blijft in u en gij hebt den boze overwonnen’ (1 Joh. 2:14).

De zuivere en stralende levens van echte christenen vormen ook, in onze corrupte wereld, een van de grootste bewijzen van de goddelijke oorsprong van de Schrift. Alleen het scheppende Woord kan van een egoïstisch, door de zonde bezoedeld mens - soms zelfs van een uitgesproken wrak - iemand maken die stand houdt in de strijd tegen het kwaad en die overvloeit van liefde. Zulke gelovigen zijn ware ‘brieven van Christus’, levende bijbels, gekend en gelezen door alle mensen (2 Cor. 3:2-3) ‘Opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn’, zegt Paulus, ‘onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende’ (Fil. 2:15-16).

Door Gods genade is de wereld nooit zonder deze levende getuigen van Christus geweest, mensen die hun tijd tot nieuw leven hebben gewekt, die de wereld hebben vernieuwd, of de kerk hebben doen ontwaken. De reeds genoemde Hervormers deden na de slaap van de middeleeuwen een wind van de Geest over Europa waaien. Pascal, ofschoon gekweld door lichamelijk lijden, bracht in geniale taal de diepste en eenvoudigste waarheden van het Evangelie onder woorden. Wesley en Whitefield hebben Engeland letterlijk gered uit een zedelijke, sociale en geestelijke toestand die het land te gronde dreigde te richten. Dat de boodschap van het Evangelie nog steeds overal wonderen verricht is getoond door Elizabeth Fry en Mathilde Wrede in de gevangenissen, Josephine Butler onder de prostituees, Felix Neff in het departement les Hautes Alpes, William en Catharine Booth in de achterbuurten, en door Hudson Taylor in het hartje van China.

5. Het Woord van God jaagt de tegenstander op de vlucht.

Het is het zwaard van de Geest, het aanvalswapen bij uitnemendheid (Efz. 6:17). Adolphe Monod herinnert ons in de volgende woorden eraan hoe Christus daarvan gebruik maakte om over Satan te zege­vieren: ‘Alleen maar een aanhaling uit de Schrift zonder uitweiding of kommentaar, dat was alles waarmee Jezus de grote tegenstander weer­stond, op die geheimzinnige en verschrikkelijke dag, toen het hele werk van onze verlossing afhing van de afloop van die strijd.

‘Er staat geschreven!’ en de verleider houdt op.

‘Er staat geschreven!’ en hij deinst terug.

‘Er staat geschreven!’ en zie, hij heeft Hem de rug toegekeerd.

‘Er staat geschreven’, en door wie? Door Mozes, de boodschapper, de dienstknecht, het schepsel van Hem Wien het woord van Mozes te hulp komt in het uur van de strijd en in de benauwdheid!’215

Hoe zou zoiets mogelijk zijn als het Woord niet door God geïnspireerd was?

Dat de vijand de kracht van de Schrift vreest blijkt uit het feit, dat hij haar voortdurend aanvalt. Hij verafschuwt dit Boek dat van de Heiland spreekt en dat hemzelf volledig ontmaskert. Hij haat de bijbel, die laat zien, dat hij overwonnen is en dat hij voor eeuwig gestraft zal worden; deze zekerheid wordt herhaald van Gen. 3:15 tot Openb. 20:10. Vanaf het begin heeft hij de sluwe vraag gesteld: ‘God heeft zeker wel gezegd?’ (Gen. 3:1). In elke eeuw heeft hij twijfelaars gevonden die meenden de vrijheid te vinden door hem te volgen. Maar het meest verontrustende kenmerk van onze tijd van afvalligheid is de systema­tische aanval die de tegenstander de laatste tweehonderd jaar doet op de Schrift en op haar gezag. Het grootste deel van de wereldbevolking is onderworpen aan regimes die openlijk atheïstisch zijn. Wij in de westerse wereld hebben een tijdperk bereikt dat getypeerd wordt als na-christelijk, waarin ongeveer slechts 10 procent van de mensen ‘de godsdienst’ ernstig opvatten. Een nog ernstiger zaak tenslotte, waardoor vele andere feiten worden verklaard, is dat een groot gedeelte van het huidige ‘christendom’ in koor de befaamde vraag stelt: ‘God heeft zeker wel gezegd’ (N.V. Gen. 3:1, d.i. ‘Heeft God werkelijk gezegd’) en de opvatting verwerpt dat de Bijbel het Woord van God is.



6. De Schrift weerstaat alle aanvallen.

De Hugenoten beeldden de bijbel en het christelijke geloof af als een aambeeld met drie krachtige smeden eromheen, en met het volgende onderschrift (vrij vertaald):

‘Hoe meer zij zich er in vermaken mij te slaan, des te eerder zullen hun hamers vergaan’.

Is het niet een goddelijke ironie dat de XIXe eeuw, met haar bijzonder kritische geest op theologisch, letterkundig en politiek gebied, tegelij­kertijd getuige was van de grootste overwinningen van de bijbel? Alleen al de ‘British and Foreign Bible Society’ heeft in 150 jaar (van 1804 tot 1954) meer dan 600 miljoen Bijbels en Bijbelgedeelten gedrukt. De andere bijbelgenootschappen meegerekend, is de totale productie gedurende die periode niet minder dan 1300 miljoen exem­plaren geweest. Toch waren eeuwen lang krachtige pogingen gedaan de Schrift te vernietigen, haar te verbieden, te weerleggen en haar belachelijk te maken, en wel vanaf de vervolgingen van Antiochus Epiphanes, van Domitianus en van de Inquisitie, tot aan de aanvallen van de filosofen, de spot van de vijanden van het geloof en de zwaar­wichtige argumenten van de zogenaamde wetenschap die zelf voort­durend aan verandering onderhevig is.

‘En dat is des te opmerkelijker als men bedenkt door wie die boeken werden bewaard. De Joden waren de plichtsgetrouwe bewakers van het boek van het Koninkrijk. Rome bewaarde het boek van de Kerk. De Joden, die zelf de Messias, van wie Mozes en de profeten getuigen, verwierpen, bewaren de boeken die het bewijs vormen van hun onge­loof en die de wereld overtuigen van het goddelijk gezag en de godde­lijke zending van den Christus.21s Waar elders vindt men een volk dat zorgvuldig een document bewaart dat herhaaldelijk en nadrukkelijk verklaart, dat het halsstarrig, ondankbaar en verdorven is; en dat al zijn overwinningen en voortreffelijkheden toeschrijft, niet aan zijn natuurlijke aard en eigenschappen, maar uitsluitend aan de barmhartig­heid van God? Anderzijds bewaart de Kerk van Rome de geschriften van evangelisten en apostelen; zij waakt voor het behoud van boeken die verklaringen bevatten als de navolgende: Christus heeft door één offerande voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden; de behoudenis is uit genade, door het geloof; en dat niet uit ons, het is een gave van God; alle gelovigen zijn koningen en priesters voor God; er is geen andere middelaar tussen God en de mensen dan de mens Jezus Chris­tus. Mensen die het huwelijk verbieden en het gebruik van bepaalde spijzen, heten in de Schrift valse leraars; de Zoon zelf zegt tegen Maria, dat zij zich niet moet mengen in de zaken van het Koninkrijk; zij speelt geen enkele rol in de kerk na Handelingen 1:14. Petrus wordt ernstig door Paulus terechtgewezen. De christenen worden ge­prezen om het feit, dat zij zelfs de leer van de apostelen onderwerpen aan het gezag van de Schrift (Hebr. 7:24-25; 10:14; Efz. 2:8-9; Openb. 1:6; 1 Tim. 2:5; 4:1-5; Gal. 2:11; Hand. 17:11)’.

‘De Joden getuigen zonder het te willen van Christus, en Rome heeft haar eigen veroordeling bewaard en zorgvuldig overgeschreven.217 Men kan hetzelfde zeggen van de protestanten, eens het volk van de bijbel; ook zij hebben hem bewaard en verspreid zonder er altijd in te geloven.

7. Conclusie.

Het is moeilijk in enkele woorden alle diensten te noemen die de bijbel de mensheid heeft bewezen door de telkens hernieuwde betoning van zijn levenwekkende kracht. Vinet heeft gezegd: ‘Het Evangelie is in de wereld het onsterfelijk zaad van de vrijheid’. Men kan het woord ‘Evangelie’ vervangen door het woord ‘Schrift’, omdat men het alleen in de Schrift vinden kan. Geïnspireerd door de bijbel, waren de Chris­tenen, die uit de wrede en zedeloze maatschappij van de oudheid kwamen, de pioniers op de volgende terreinen:

de afschaffing van de slavernij

de emancipatie van de vrouw

erbarming over het leed en de menselijke ellende

de zorg voor zieken, gebrekkigen en ouden van dagen

het oprichten van ziekenhuizen, rusthuizen en weeshuizen

de snelle ontwikkeling van de wetenschappen doordat de boeien van het bijgeloof werden verbroken

de strijd tegen de prostitutie, het alcoholisme en de zedeloosheid

het onderwijs aan kinderen, zelfs de meest misdeelden

de jeugdbewegingen en -kampen

de strijd tegen de armoede en sociaal onrecht.


Deze initiatieven van leerlingen van de Schrift zijn vaak nagedaan en overgenomen door de Staat en door politieke partijen, toen men geen invloed van godsdienstige zijde meer wenste (of toen die invloed langzamerhand was verdwenen). Maar er bestaat geen enkele twijfel over hun oorsprong. Zo zelfs, dat men een duidelijk verschil kan zien tussen christelijke en niet christelijke landen, zowel in levensstandaard als in moraliteit. En zelfs onder de christelijke landen kan men in het algemeen onmiddellijk een tegenstelling zien ten gunste van de landen met de bijbel, dat wil zeggen de protestantse landen. Vergelijk bijvoor­beeld Noord- en Zuid-Europa, Noord- en Zuid-Ierland, Engels spre­kend Canada en Franssprekend Canada, Angelsaksisch Amerika en Latijns Amerika, enz.218


‘Welzalig het volk, welks God de Here is’. (Ps. 33:12) Welzalig het land (als er zo’n land is!) dat geheel door de bijbel geïnspireerd wordt!

VI. DE EEUWIGE JEUGD VAN DE SCHRIFT.

Omdat de bijbel het boek van de eeuwige God is, is hij gehuld in een sfeer van eeuwigheid. In zekere zin is de bijbel verheven boven de tijd en gaat hij ver uit boven de geschiedenis van ons ras, van onze aarde en van het heelal. Omdat hij het plan openbaart van Hem die de alpha en de oméga is, leidt hij ons van eeuwigheid tot eeuwigheid, van dat wat voorafging aan het grote begin tot aan het einde van alle dingen. Daar de bijbel nooit iets anders dan de waarheid heeft geleerd, is hij het boek voor alle generaties; de ervaringen van de verste tijden dienen als een voorbeeld voor ons en zijn opgetekend ter waarschuwing van ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is (1 Cor. 10:11). Zodoende veroudert de Schrift nooit. Zij openbaart ons het hart van God en het hart van de mens op een manier die nooit veroudert. Dit lijkt eigenlijk wonderbaarlijk en uniek, als men bedenkt, dat de boeken van de bijbel 19 tot 35 eeuwen oud zijn. Welk boek uit de oudheid kan op dit punt, evenals op vele andere punten, de vergelijking met de bijbel doorstaan? Alle menselijke boeken raken heel snel uit de tijd, zo snel, dat de leerboeken van de ene generatie, terstond door de volgende generatie worden afgedankt. Van het boek van God in al zijn onderdelen geldt juist het tegenovergestelde.

Mozes spreekt ons nu aan, zoals geen enkel ander boek van 3500 jaar geleden. Hij doet ons de soevereine God kennen, de heilige en barm­hartige schepper.

Zijn wetten zijn geïnspireerd door een ongeëvenaarde en voorbeeldige liefde en zorg (b.v. de tien geboden).

Zijn sociale stelsel staat op een veel hoger plan dan dat van de meest vooruitstrevende naties en hervormers.

Zijn hygiënische voorschriften wekken de bewondering van de moderne medici.

Zijn beeldrijke eredienst en zijn priesterschap dienen als grondslag voor de gehele weergave van het Evangelie van Christus in de brief aan de Hebreeën.

De psalmdichters spreken de universele taal van het hart dat lijdt, twijfelt, om hulp roept, gemeenschap heeft met God, triomfeert en overstelpt is van vreugde.

Gedurende de laatste oorlog was er een soldaat die voor het eerst de Psalmen las. Hij was er van overtuigd, dat ze kortgeleden waren ver­schenen en hij verbaasde zich erover, dat de pers nergens melding maakte van zo’n uitzonderlijke en actuele schrijver.

De Profeten lijken ook voor onze tijd geschreven te hebben. Heel wat bladzijden van Jesaja, Jeremia, enz. schilderen precies de huidige toestand van de wereld en van de gelovigen, te meer waar zowel hun beloften als hun bedreigingen nog bezig zijn in vervulling te gaan.

De Evangeliën, vervuld van de onvergelijkelijke figuur van den Chris­tus, hebben niets verloren van hun frisheid en van hun zuiverheid. Deze onvergankelijke juwelen blijven voor alle tijden de mooiste en de meest gelezen bladzijden uit de wereldliteratuur.

Het boek der Handelingen, en de brieven, vormen nog steeds de grondslag van de inspiratie voor de kerk van Jezus Christus.

Openbaring tenslotte gaat evenals de geschriften van de profeten, uit boven de tijd en doet elke generatie versteld staan vanwege het feit, dat de profetieën die dit boek bevat de een na de ander in ver­vulling gaan.

Dit altijd levende karakter wordt bevestigd door de Schrift zelf: ‘Van oudsher weet ik uit Uw getuigenissen, dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld. Al Uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig’. (Ps. 119:152, 160). ‘Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan’ (Matth. 5:18; 24:35). ‘Als wedergeboren ... uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr. 1:23-25).

Wij ondergaan steeds weer opnieuw de wonderbaarlijke ervaring, dat de bijbel voor eeuwig het Woord des Heren blijft dat ons rechtstreeks aanspreekt, hier en nu.

Het onuitputtelijke karakter van de bijbelse tekst is een ander bewijs van hetzelfde feit. Een Schriftgedeelte houdt nooit op tot ons te spre­ken. Wij hebben het misschien al tientallen keren gelezen en vaak zijn wij er duidelijk door geholpen. Toch, onder andere omstandigheden, treft het ons opnieuw en openbaart het ons een aspect van de waar­heid dat wij tot dat ogenblik niet hadden opgemerkt. Iedere aandach­tige en gelovige bijbellezer is ‘gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad oude en nieuwe dingen te voorschijn brengt’. (Matth. 13:52). Als ons hart recht is voor God dan zullen wij nooit zijn Woord overpeinzen zonder er de één of andere nieuwe openbaring in te ontdekken. En de enige manier waarop een predikant een levende, vernieuwde en oorspronkelijke boodschap kan brengen, is door voort­durend uit de schatkamer van de Schrift datgene te voorschijn te halen wat tegelijkertijd nieuw en fundamenteel is.

VII. DE UNIVERSALITEIT VAN DE BIJBEL.

Is de bijbel het boek van alle tijden, hij is ook het boek van alle men­sen. Hij richt zich letterlijk tot alle volken, talen, rassen en natiën; tot alle leeftijden - van de kinderjaren tot de ouderdom; tot alle indivi­duen en tot alle soorten mensen; tot alle maatschappelijke standen.

Zijn de menselijke schrijvers van de bijbel niet de meest uiteenlopende personen geweest: herders, vissers, onontwikkelde mensen, priesters, wetgeleerden, een arts, intellectuelen, koningen, staatslieden, dichters, profeten, geschiedkundigen?

Ook bezit de Schrift een veelzijdigheid die aan iedere behoefte en aan iedere smaak kan voldoen. Men vindt er elk genre: geschiedkundig, juridisch, wetgevend, sociaal, moreel, biografisch, poëtisch, didactisch; men vindt er brieven, profetieën en spreuken.

‘De lyrische dichters van Griekenland en Rome zijn slechts bekend bij een letterkundige elite. Wij hebben wel reden ons af te vragen hoe het mogelijk is, dat het verdriet en de vreugde, de moeilijkheden en de twijfel, de aspiraties en de hoopvolle verwachtingen van mensen die qua tijd en ras zo verschillend zijn, hun uitdrukking vinden in dezelfde gezangen (de Psalmen) ... De meest ontwikkelde volken buigen zich voor dit boek en, als leergierige kinderen, putten zij onderricht uit zijn rijke schatkamers. Aan de meest wilde volksstammen brengen deze eenvoudige en krachtige uitspraken licht en liefde... Aanzienlijken en filosofen vinden wijsheid en raad in het geïnspireerde boek. Maar tevens is het de metgezel van de ambachtsman en van de koopman, de troost van de weduwe, de leermeester van de ongeletterden. De bijbel past zich aan bij elke leeftijd. Hij is de melk voor de kinderen, de gids voor de jongeren, de kracht van volwassen mensen, de troost van bejaarden ... Hij is een wapenrusting in de strijd, een toevlucht voor eenzamen, een sterke steun voor stervenden’.

Het verbaast ons niet dat men de bijbel ‘het Boek’ heeft genoemd. Walter Scott vroeg tijdens zijn laatste ziekte aan zijn zoon hem uit het boek voor te lezen. Welk boek, vroeg deze. Het antwoord van de beroemde man was ‘Er is slechts één Boek, de bijbel’.219

Aangezien de bijbel het enige werk is dat geschreven is gedurende een tijdsperiode van vijftienhonderd jaar, is de bijbel van te voren bestemd te voldoen aan de behoefte van de meest verschillende perioden uit de geschiedenis. Reeds van het begin is hij het boek geweest voor alle tijden.

Het is bovendien opmerkelijk, dat dit meest universele van alle boeken voortgebracht werd door een klein volk, apart gezet van alle andere volkeren en dat zich in het geheel niet onderscheiden had op het gebied van kultuur, kunst, filosofie, geleerdheid, macht of een bijzonder hoge beschaving. Griekenland en Rome, die op al deze gebieden zo uit­blonken, hebben iets dergelijks in het geheel niet voortgebracht. En, nog een opmerkelijk feit is, dat Israël zelf volstrekt niets heeft voort­gebracht dat ermee vergeleken kan worden. Welke andere gevolg­trekking kunnen wij dus maken dan dat het unieke en universele karak­ter van de Schrift het wonderbare product is van een unieke godde­lijke inspiratie?

Men zou kunnen zeggen, dat bovenstaande beweringen vrucht zijn van de verbeelding en van een vooropgesteld idee. Hierop kunnen we gemakkelijk antwoorden met tastbare bewijzen. Het feit, dat de Schrift verspreid is over de gehele wereld en dat zij nog volop in de twintigste eeuw het best verkochte boek blijft, kan niet worden ontkend. De hele bijbel was in 1965 vertaald in 236 talen die gesproken worden door 90 procent van de wereldbevolking. Het Nieuwe Testament is vertaald in 289 andere talen die gesproken worden door nog eens 5 procent van de wereldbevolking. Afzonderlijke boeken van de Schrift in meer dan 700 minder belangrijke talen, maken dat er nog eens 3 procent van de bewoners van de aardbol bereikt kunnen worden. De rest van de bevolking - ongeveer 2 procent - wordt gevormd door beperkte bevolkingsgroepen (in Nieuw Guinea en Equatoriaal Afrika en onder Latijns-Amerikaanse Indianen bijvoorbeeld), waarvan de taal nog niet op schrift gesteld is, en die nog volledig analfabeet zijn (Ecumenical Press Service, 1965).

Aan de bovengenoemde aantallen worden jaarlijks 30 tot 40 nieuwe vertalingen toegevoegd. In 1962 werden er op de vijf continenten 50 miljoen bijbels en gedeelten van de Heilige Schrift verspreid. Er wordt nu een krachtige poging gedaan deze cijfers te verdrievoudigen. Alleen al in Latijns Amerika zijn er in 1961 9 miljoen exemplaren verspreid en in 1962 17 miljoen. Wat het evangelie op grammofoon­platen betreft, de pas opgerichte organisatie ‘Gospel Recordings’ heeft alleen al grammofoonplaten geleverd in 3321 talen en heeft er gratis 5 miljoen verspreid.

VIII. DE SUPERIORITEIT VAN DE BIJBEL BOVEN ALLE ANDERE JOODSE, CHRISTELIJKE EN HEIDENSE GODSDIENSTIGE BOEKEN.

Een ander bovennatuurlijk kenmerk van de Schrift komt aan het licht als men haar vergelijkt met onverschillig welk ander boek. De werke­lijke Auteur van de Schrift is duidelijk veel groter dan de menselijke geest, want de boodschap van de Schrift is oneindig en eeuwig.



De apocriefen van het Oude Testament, ook al zijn ze soms interessant vanuit historisch oogpunt, doen in elk opzicht onder voor de canonieke geschriften. Wij hebben reeds de zeer besliste mening van Hieronymus hierover geciteerd (in deel III, hoofdstuk XI, paragraaf VI). En Saphir zegt over dit onderwerp: ‘Welk mens zou, nadat hij de oude goede wijn heeft gesmaakt, die kunnen verwarren met slechte wijn vermengd met water. Het ene verhoudt zich tot het andere als kaf tot het koren’.220

M. von Niebuhr, die de bijbelse tekst vergelijkt met de bronnen van de Assyrische en Babylonische geschiedenis, merkt op: ‘In het Oude Testament komt geen enkele patriottische leugen voor; het verbergt of bedekt nooit de ellenden van het volk welks geschiedenis het beschrijft. Wat dat betreft heeft het Oude Testament een unieke plaats tussen alle geschiedenisboeken - zijn waarheidsgetrouwheid is ongeëvenaard - zelfs in de ogen van hem die niet gelooft in de god­delijke inspiratie. En men moet ook toegeven dat het Oude Testament uiterst nauwkeurig IS’.221

Wat een scherpe tegenstelling is er ook tussen de vier Evangeliën en de Apocriefe verhalen van het leven van Jezus. En hoe kinderachtig zijn de wonderen die de traditie toeschrijft aan Hem, die in alles wat Hij deed de Vader verheerlijkte en Hem openbaarde!’222 Bovendien zegt Johannes duidelijk, dat Jezus in Kana Zijn eerste wonder deed; daarmee worden dus alle wonderen die Hij in Zijn jeugd zou hebben verricht, uitgesloten (Joh. 2:11).

Ook de geschriften van de kerkvaders, hoe mooi en heilzaam zij ook zijn, laten alleen maar nóg duidelijker de verheven oorspronkelijkheid van de geïnspireerde apostolische brieven zien; hun onuitputtelijke diepte, hun goddelijke eenvoud, hun bewonderenswaardige beknopt­heid, hun duidelijkheid, hun universaliteit, in één woord, hun goddelijk karakter’.223

Néander merkt hetzelfde op: ‘Een verschijnsel dat enig in zijn soort is, is het frappante verschil tussen de geschriften van de apostelen en die van de kerkvaders, die bijna hun tijdgenoten waren. In het alge­meen gaan de overgangen geleidelijk, maar hier zien wij een plotselinge verandering ... een verschijnsel dat ons moet leiden tot de erkenning, dat er in de zielen van de apostelen een werking van de Geest van God plaatsvond, de dageraad van een nieuw scheppingselement’.224

Het is overigens ontstellend te zien hoe snel de kerkvaders zich hebben verwijderd van de Schrift en van de eenvoud van het Evangelie. Twee of drie eeuwen na de tijd van de apostelen, hadden zij reeds een begin gemaakt met de afwijkingen die de kerk in de daaropvolgende eeuwen van haar eigen karakter hebben beroofd. En wat te zeggen van hun onvoorzichtigheden en hun flagrante dwalingen op het gebied van de natuurwetten? (zie deel III, hoofdstuk X, par. V).

De Koran maakt er aanspraak op, dat hij door de Engel Gabriël deel voor deel uit de hemel aan Mohammed gebracht is. Naast enkele moraliserende uitspraken en enkele voorschriften voor het sociale leven, draagt hij overal het stempel van de feilbare en aardse mense­lijke geest. Volgens de Koran zijn de bergen geschapen om de aarde te beletten zich te bewegen en om haar vast te houden als met ankers en touwen. Mozes’ zuster Miriam wordt verward met de moeder van Jezus (Sura 19:29). Gabriël brengt verschillende malen een speciale openbaring uit de hemel om Mohammed te rechtvaardigen: toen hij de vrouw van zijn geadopteerde zoon nam, toen hij alle vrouwen van zijn harem probeerde te bevredigen en toen hij zijn familieleden en diegenen onder de gevangenen die hem aanstonden als bijvrouwen nam (Sura 33:49 tot 52, enz.). De Koran verklaart ook de heilige oorlog tot een blijvend beginsel en belooft aan de getrouwen het meest vleselijke paradijs dat men zich maar kan voorstellen. Maar het verschil tussen de Koran en de bijbel komt vooral duidelijk uit in datgene wat de Koran niet zegt: de liefde van God die in de vleeswording lijdt met zijn schepselen, Zijn heiligheid die de straf op de zonde eist, de ver­zoening van onze overtredingen aan het kruis, de volle verzekering van vergeving, de wedergeboorte die de mens nieuw maakt, en het geestelijk karakter van de waarheid van heel de geopenbaarde boodschap - dit alles ontbreekt in het boek van Mohammed en dit overtuigt ons, door de scherpe tegenstelling des te meer van het goddelijke karakter van de Schrift.

Ook de heilige boeken van de Hindoes kunnen niet vergeleken worden met de Bijbel; deze Hindoe-boeken met hun 330 miljoen goden, waarvan de grootste Siva, onder het symbool van de fallus (penis) vereerd wordt; de honderdduizenden veronderstelde reïncarnaties in de gedaante van een beest of een mens, totdat een kleurloos nirwana de mens bevrijdt door elk verlangen in hem te niet te doen. Ook hier ontbreekt ten enenmale een werkelijke oplossing van het probleem van zonde en ellende en is nergens sprake van de overgang, reeds hier op aarde, tot een zuiver en bevrijd leven, noch van absolute gerechtigheid, of van een eeuwige actieve gelukzaligheid in de tegenwoordigheid van God.



En dit is wat de kosmologie van de Hindoes zegt: De maan staat vijftigduizend mijl hoger dan de zon; zij schijnt door haar eigen licht; zij geeft ons lichaam leven. De nacht komt doordat de zon onder gaat achter de berg Someyra, die zich in het midden van de aarde bevindt en ettelijke duizenden mijlen hoog is. Onze aarde is plat en driehoekig samengesteld uit zeven verdiepingen, die elk hun graad van schoonheid hebben en hun eigen bewoners en hun eigen zee. De eerste verdieping is gemaakt van honing, de volgende van suiker, de volgende van boter, de volgende van wijn. De hele massa wordt gedragen op de koppen van ontelbare olifanten die, als zij zich schudden, op aarde aardbevin­gen veroorzaken!225

Voor Plato is de wereld een intelligent dier. De werken van de Griekse en Romeinse filosofen, Aristoteles, Seneca, Plinius, Plutarchus, Cicero, die in menig opzicht zo opmerkelijk zijn, staan vol met beweringen waarvan één enkele genoeg zou zijn om onze inspiratieleer in gevaar te brengen, als iets dergelijks gevonden zou worden in één van de boeken van de Heilige Schrift.226

Wij zouden nog een lange tijd door kunnen gaan met onze vergelijking, maar we zullen die nu beperken tot de goddelijke beknoptheid van de geïnspireerde teksten.

De Joden hebben de twee Talmuds aan de Schrift toegevoegd, waar­aan zij hetzelfde goddelijke gezag toekennen; één van de twee (die van Jeruzalem) is een groot boek in folio-formaat, en de andere (die van Babylon), bestaande uit twaalf folio-boekdelen, is de Talmud die men het meest volgt en die door alle schriftgeleerden bestudeerd moet worden.

De Roomse Kerk heeft tijdens het concilie van Trente verklaard, dat zij ‘haar tradities omtrent het geloof en de zeden’, dat wil zeggen haar enorme verzameling synodale besluiten, pauselijke edicten en bullen, canones en de brieven van de heilige Kerkvaders, ... ‘met dezelfde genegenheid en eerbied aanvaardt als de bijbel’.227 Zie daartegenover, zegt Gaussen, wat de Heilige Geest heeft gedaan in de bijbel en be­wonder de hemelse behoedzaamheid van zijn onnavolgbare beknopt­heid. Het hele verhaal van de schepping van de wereld neemt slechts éénendertig verzen in beslag. Het proefgebod, de zondeval en de veroordeling van ons mensengeslacht beslaan vierentwintig verzen, terwijl er vele hoofdstukken worden gebruikt om de tabernakel en de offers te beschrijven die een voorafschaduwing waren van Jezus Chris­tus en Zijn verlossingswerk. Twee hoofdstukken zijn voldoende om de geschiedenis van de mensheid vanaf de zondeval tot aan de zondvloed te beschrijven; daarna is het grootste gedeelte van Genesis gewijd aan de levensbeschrijvingen van de aartsvaders, omdat met hen de lijn der geslachten begint die uitloopt op de Messias.

De Tien Geboden en de prachtige samenvatting daarvan (Deut. 6:5; Lev. 19:18) zeggen veel meer over onze plichten jegens God, onze ouders en ons gezin, jegens arbeiders en vreemdelingen, over goederen, leven, rust, eer en waarheid, dan alle werken uit de oudheid samen.

Elk van de Evangeliën vertelt in 16 tot 28 korte hoofdstukken - in slechts 800 regels het leven van Jezus Christus: Zijn geboorte en jeugd, zijn leer, wonderen en voorbeeld, zijn lijden, dood, opstanding en hemelvaart. Deze feiten worden op zo’n onpartijdige manier verteld, met zulk een eerbied voor God en voor de mensen en met zo’n terug­houdendheid en echtheid, dat wij weer vragen: ‘Is dit de manier waarop de mens iets vertelt? Toch waren de evangelisten mannen vol bewogen­heid, met harten brandende van liefde voor hun Meester. Hoe konden ze dan op zo’n rustige en terughoudende, sobere, ja schijnbaar onbewogen manier de afschuwelijke moord beschrijven op Degene die zij aanbaden, en op zo’n realistische wijze hun eigen lafheid en vlese­lijke geest aan het licht brengen, zonder voor zichzelf een enkele verontschuldiging te zoeken en zonder enige verklaring daarvoor? In Handelingen verhaalt Lucas in ongeveer dertig bladzijden de dertig mooiste jaren van het christendom. Nogmaals, wat een bewonderens­waardige kortheid! Van wie anders dan de Heilige Geest zou deze be­knoptheid, deze keuze van bijzonderheden, deze manier van zeggen - vroom, kort en betekenisvol - afkomstig kunnen zijn, die in zo weinig woorden zoveel waarheden bevat!

Hierbij komt nog de gereserveerdheid en het zichzelf op de achtergrond houden van de geschiedschrijver; hij komt zelf nergens voor het voet­licht, behalve in het veranderen van het persoonlijk voornaamwoord (het ‘wij’ dat begint in Hand. 16:10). En toch nam Lucas gedurende tien jaar deel aan Paulus’ werk, leefde mee in zijn lijden, vergezelde hem op zijn reizen van Troas tot Jeruzalem en Cesaréa, en naar Rome waar Paulus uitroept: ‘Allen hebben mij in de steek gelaten. Alleen Lucas is nog bij mij’ (2 Tim. 4:16, 11).

De voorafgaande alinea’s ontleenden wij aan Gaussens boek, waaruit tot slot nog dit citaat van Origenes: ‘De bijbelse geschriften getuigen van de volheid van de Geest; en er is niets in de profeten, of in de wet, of in het Evangelie, of in de apostelen, dat niet van de majesteit van God afkomstig is’.228

IX. CONCLUSIE.

Voor degene die kan zien zijn het bestaan van de zon, haar stralen, en haar warmte niet discutabel. Een blinde kan, als hij wil, aan dat alles twijfelen, omdat hij het zelf niet kan zien.

Voor de gelovige is het bovennatuurlijke karakter van de Schrift meer dan duidelijk. Hij weet dat hij door haar tot het licht is gekomen: ‘Ik, die blind was, kan nu zien’. Hij heeft God ontmoet in de bijbel; hij heeft daarin door Christus gevonden de vergeving, het nieuwe leven en de verzekering van het eeuwig heil. De profetieën hebben hem over­tuigd van de alwetendheid van de Auteur van het Boek. In de spiegel van het Woord, heeft hij de beeltenis van zijn eigen hart herkend, getekend door Hem die het beter doorgrondt dan hijzelf. Iedere dag ervaart hij meer van de kracht, de eeuwige jeugd, de universaliteit en de superioriteit van de Schrift over alles wat menselijk is.

Ja, wij roepen met de Psalmdichter uit: ‘Ik verlustig mij in Uw wet. De wet van Uw mond is mij beter dan duizenden stukken goud en zilver. Mijn hart vreest voor Uw woorden. Ik verblijd mij over Uw woord als iemand die rijken buit vindt. Uw bevelen heb ik verkozen’ (Ps. 119:70, 72, 161-162, 173).

Helaas schijnt dit alles, dat voor ons een onweerlegbaar bewijs is, op geen enkele wijze de ongelovige te raken. Hetzelfde geldt voor het zo duidelijke getuigenis van de schepping. ‘De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen’. ‘Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde (Ps. 19:2, 4, 5), want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht, en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien’ (Rom. 1:20).

Toch verheerlijkt het merendeel der mensen niet de levende en ware God. Er zijn vele dwazen die in hun hart zeggen: ‘Er is geen God’ (Ps. 14:1). Talrijk zijn ook de godsdienstige mensen, zelfs mensen die beweren christenen te zijn, die het getuigenis van ‘t wondere boek van God, de bijbel, verwerpen. Voor velen is de oorzaak hiervan, dat zij nog niet ‘opnieuw geboren’ zijn, en ‘een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van den Geest Gods is, want het is hem dwaasheid ... , omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ (1 Cor. 2:14). Het geval van Nicodemus laat zien, dat er zelfs godsdienstige leiders en leraars van Israël kunnen zijn in wier leven geen wedergeboorte heeft plaats­gehad (Joh. 3:3-10). Anderen, die misschien beter zijn begonnen, dreigen te bezwijken voor de gevaren vermeld door Paulus: ‘Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereld­geesten en niet met Christus’ (1 Col. 2:8). ‘Bewaar wat u is toever­trouwd, houd u buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis. Sommigen, die woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor des geloofs bijster ge­raakt’ (1 Tim. 6:20-21).

Wij beelden onszelf niet maar iets in. Het heelal is het grote boek van God voor hen die willen geloven. Evenzo is de bijbel Zijn ge­schréven boek, voor hen die door het geloof zijn getuigenis van leven en van kracht aannemen. De bovennatuurlijke eigenschappen van de Schrift die wij hierboven opgenoemd hebben, kunnen noch willen wij aanvoeren als een rationalistische argumentatie om aan onze lezers de moeite van het geloof te besparen. Integendeel, wij kunnen slechts met Paulus herhalen, en daarmee willen wij besluiten: ‘Mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God’ (1 Cor. 2:4-5).


HOOFDSTUK II



Dostları ilə paylaş:
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə