Inspiratie en het gezag van de Bijbel


De algehele en woordelijke inspiratie van de Schrift



Yüklə 0,88 Mb.
səhifə7/24
tarix13.11.2017
ölçüsü0,88 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   24

De algehele en woordelijke inspiratie van de Schrift


Laten we, nu we verschillende inspiratie-theorieën de revue hebben laten passeren - die alle ontoereikend bleken - zien wat de bijbel zelf erover leert.

I DEFINITIE

Wat verstaan we onder volledige en woordelijke inspiratie?

We geloven, dat bij het opstellen van de oorspronkelijke manuscripten de Heilige Geest de schrijvers leidde, zelfs in de keuze van hun uitdrukkingen, op iedere bladzijde van de Schrift, zonder echter hun persoonlijkheid uit te schakelen.

Geleerden hebben zich als volgt over dit onderwerp uitgelaten: ‘De kerk heeft van het begin af aan de Bijbel voor het Woord van God gehouden in die zin, dat de woorden, alhoewel die geschreven werden door mensen en het onuitwisbaar kenmerk van hun menselijke oor­sprong dragen, niettemin onder invloed van de Heilige Geest zijn geschreven, zó dat ze ook de woorden van God zijn, de adequate uitdrukking van Zijn gedachten en Zijn wil. Inzake deze tweezijdige oorsprong van de bijbel heeft de kerk altijd erkend, dat de invloed van de Heilige Geest zich uitstrekte tot de woordkeus van de menselijke schrijvers (woordelijke inspiratie, maar geen mechanisch dictaat !) waardoor de tekst gevrijwaard bleef voor alles wat een goddelijk schrijver onwaardig zou zijn. Het gevolg daarvan is in het bijzonder dat de bijbelse auteurs de hele bijbel het kenmerk van volstrekte waarheid hebben meegegeven (onfeilbaarheid)’.25

‘De leer van de volledige inspiratie houdt in, dat de oorspronkelijke tekst van de bijbel opgesteld is door mensen, die, hoewel ze hun eigen persoonlijkheid behielden en hun literaire talenten konden aanwenden, toch onder de controle en leiding van de Geest van God schreven. Hierdoor brengt ieder woord van de oorspronkelijke documenten ons volmaakt en feilloos de boodschap over die God de mensen wilde mededelen’.26

Gaussen drukt zich op gelijke wijze uit:

De theopneustie (in 2 Tim. 3:16, theopneustos, ingeblazen, geïnspi­reerd door God) is de geheimzinnige kracht door de Heilige Geest uitgeoefend op de auteurs van de Heilige Schrift, om hen in staat te stellen haar te schrijven, om hen te leiden tot in de keuze van de woorden die ze gebruiken, en om hen zodoende voor iedere vergissing te bewaren’.27

Laten we nu bezien welke positieve gevolgtrekkingen we kunnen maken uit de bovenstaande definities. In volgende hoofdstukken zullen we op bepaalde bezwaren ingaan.

II WAT BETEKENT, IN BIJBELSE ZIN, DE UITDRUKKING ‘VOLLEDIG GEINSPIREERD?’

Het betekent, dat de inspiratie algeheel is en zonder beperking. Dit wordt overal door de bijbelschrijvers bevestigd: ‘Elk schriftwoord is door God ingegeven’ (2 Tim. 3:16); de profeten en de apostelen hebben ons niet het woord van de mens overgebracht, maar waarlijk het Woord van God (1 Thess. 2:13). De geschreven openbaring is volledig, zodat niemand eraan kan toevoegen of ervan kan afnemen (Openb. 22:18-19); er zal niet een jota of een tittel vergaan van de wet (de Heilige Schrift van het Oude Testament), eer alles zal zijn geschied (Matth. 5:18).

Men kan niet genoeg de nadruk leggen op de waarde die de bijbel hecht aan het nauwkeurig ontvangen en doorgeven van de goddelijke uitdrukkingen.



Mozes was er zich volledig van bewust, dat hij in het Boek der Wet de woorden van God Zelf overbracht, evenals op de stenen tafelen die de Tien Geboden bevatten (Exodus 24:4, 7, 12). Tenslotte ‘zeide de Here tot Mozes: Schrijf u deze woorden op, want op grond van deze woorden heb Ik met u en met Israël een verbond gesloten’ (34:27).

Bileam wist, dat hij geïnspireerd werd, zelfs op een dwingende manier: ‘Het woord dat God in mijn mond zal leggen, zal ik spreken. Ik zou niet in staat zijn het bevel des Heren te overtreden door goed of kwaad te doen uit mijzelf; wat de Here spreken zal, dat zal ik spre­ken’ (Num. 22:38; 24:13). Welnu, kan God hetgeen Hij deed voor een slechte en vijandiggezinde man, een valse profeet, ook niet doen voor zijn ware profeten, die zich blijmoedig aan Zijn wil onderwierpen? David sprak tot Salomo, in verband met de bouw van de tempel: ‘Alles staat in een geschrift, ontvangen uit de hand des Heren, waarin Hij mij onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp’ (1 Kron. 28:19). Ongetwijfeld ging het om een openbaring die door een van de profeten getrouw op schrift was gesteld. David beschouwde het als iets dat door de hand van God geschreven was. Hij riep uit: ‘De Geest des Heren spreekt door mij, zijn woord is op mijn tong’ (dus niet enkel en alleen ‘de goddelijke gedachte was in mijn geest’) (2 Sam. 23:2).

De psalmdichter beschouwde de Wet, de Joodse Schrift, als de waar­heid van God: ‘Ik vertrouw op Uw woord ... het woord der waarheid ... Al Uw geboden zijn trouw ... Voor eeuwig, o Here, houdt Uw woord stand in de hemelen ... Uw gebod is onbegrensd. Hoe lief heb ik Uw wet ... Uw wet is waarheid ... Heel Uw woord is de waarheid’ (Ps. 119:42-43, 86, 89, 96-97, 142, 160).

God beval Jeremia het volgende: ‘Zie, ik leg mijn woorden in uw mond. Spreek tot hen al wat Ik u gebieden zal. Die mijn woord heeft, spreke mijn woord naar waarheid. Spreek ... al de woorden die Ik u gebied te spreken ... ; doe er geen woord af. Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u gesproken heb’ (Jer. 1:9, 17; 23:28; 26:2; 36:2; zie ook Jes. 6:7, 9; 51:16; Ezech. 2:7-8; 3:10-11, 17; Deut. 18:18).

Jezus Christus verklaarde met betrekking tot Zijn woorden, die voor ons bewaard zijn gebleven in het Nieuwe Testament: ‘De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voor­bijgaan’ (Matth. 24:35).

Paulus omschrijft op de volgende wijze zijn eigen instelling tegenover de ganse Schrift: ‘Ik vereer den God der vaderen, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat ... zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschie­den zou’ (Hand. 24:14; 26:22). Hij bevestigt nogmaals, dat al wat te voren geschreven is, tot ons onderricht werd geschreven (Rom. 15:4).

En Johannes zegt telkens met grote stelligheid in het laatste boek van de bijbel: ‘Dit zijn de waarachtige woorden van God ... Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Here, de God van de geesten der profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn knechten te tonen hetgeen weldra geschieden moet’. (Openb. 19:9; 21:5; 22:6).

III WAAROM SPREEKT MEN OVER ‘WOORDELIJKE’ INSPIRATIE?

Een volledige inspiratie sterkt zich noodzakelijkerwijs uit tot de woor­den. We hebben dit al gezegd (zie Deel III, hoofdstuk II): de woorden kunnen niet van de boodschap gescheiden worden. De bete­kenis van de goddelijke openbaring is onafscheidelijk verbonden met de uitdrukkingen van de Schrift; haar inhoud kan niet tot uitdrukking worden gebracht zonder woorden. Dus, als we niet kunnen zeggen, dat de woorden van de bijbel gegeven zijn door God, kunnen we ook niet beweren dat de bijbel geïnspireerd is, want hij bestaat uit woorden. We zullen nooit zeker zijn wat de Geest Gods in de bijbel zeggen wil, als we er niet zeker van kunnen zijn, dat de woorden van de tekst uit­drukkelijk door Hem geïnspireerd zijn.2g

‘De enige methode om begrippen mee te delen die wij als verstandelijke wezens bevatten kunnen, is de methode die haar doel bereikt door gelijke begrippen op te roepen bij de persoon voor wie de mededeling bestemd is. De meest universele vorm van een dergelijke communicatie is de taal. Alhoewel de taal in haar primitiefste vorm geen andere tekenen uitsluit, heeft zij zich langzamerhand beperkt tot geluiden en hun zichtbare symbolische uitdrukking in geschreven letters. Als het bericht van de menswording van Jezus en de stem van de profeet werkelijk een boodschap van God uitdrukten, dan heeft God het middel van gesproken en geschreven woorden gebruikt, het universele kenmerk van de taal, om Zijn wil aan de mens te openbaren ... Het succes van iedere communicatie hangt bovendien af van de geschiktheid van de uitdrukking. Wanneer de manier van uitdrukken gebrekkig is, is ook het begrip van de oorspronkelijke gedachte onvolkomen’.29

Wat betreft de uitdrukking ‘woordelijke inspiratie’, zegt Hodge, dat dit voor vele theologen de opvatting van een mechanisch dictaat inhoudt. Maar, voegt hij eraan toe: ‘Wij verwerpen deze opvatting even krach­tig als zij. De aanhangers van de meest strikte leer van de woordelijke inspiratie willen daar volstrekt niet mee zeggen, dat de gedachten werden geïnspireerd door middel van de woorden, maar enkel dat de goddelijke invloed die wij inspiratie noemen betrekking heeft zowel op het uitdrukken van de gedachten van de bijbelschrijvers in woor­den, als op deze gedachte zelf. Dientengevolge is de bijbel, die be­schouwd wordt als een goddelijke openbaring welke opgetekend en in woorden uitgedrukt is, voor ons het Woord van God’.30

Luisteren we tenslotte nog naar een korte samenvatting van de mening van E. Sauer: ‘Wij geloven in de volledige inspiratie vanwege het nauwe verband van de gedachte met de woorden. Om een gedachte feilloos uit te drukken moet men heel zorgvuldig de woorden uitkiezen die ermee overeenkomen ... De gedachten van de mens vinden hun oorsprong in aanvankelijk onduidelijke begrippen, gewaarwordingen en opvattingen. Maar alles wat geestelijk is, moet, wil het zich tot een duidelijk begrip ontwikkelen, onder woorden gebracht worden. Een gedachte wordt pas dan een werkelijk bewuste gedachte, als uit de diepten van onderbe­wuste gevoelens en uit vage indrukken een woord voortkomt ... Men zou het woord kunnen beschouwen als het lichaam van de gedachte dat de geest ‘zichtbaarheid’ en vorm geeft. Daarom blijft, als het woord vaag is, de gedachte ook vaag en wordt alles nevelachtig en onduide­lijk’.31

Als de gedachten geïnspireerd zijn, moeten de woorden dat dus ook zijn. Een wijziging van de woorden brengt altijd mee een meer of minder grote verandering van de gedachte. Luther heeft terecht gezegd: ‘Christus heeft niet van Zijn gedachten, maar van Zijn woorden gezegd dat zij geest en leven zijn’. (Vgl. Joh. 6:63). J. A. Bengel merkt met betrekking tot de profeten op: ‘Met de gedachte gaf God hun tegelijker­tijd ook de woorden’. Spurgeon, de prins van de predikers, riep uit: ‘Wij verdedigen elk woord van de bijbel en geloven in de woordelijke en letterlijke inspiratie van de Schrift. Wij geloven dat er geen ander soort inspiratie kan zijn. Als men ons de woorden ontneemt, gaat de juiste betekenis van de tekst verloren’.32

Voor de mannen van de bijbel, bijvoorbeeld Jeremia, bestond hierover niet de minste twijfel, zoals we zullen zien. Had God niet tegen hem gezegd: ‘Alles wat Ik u gebied zult gij spreken. Zie, Ik leg Mijn woor­den in uw mond. Gij zult als Mijn mond zijn. Spreek ... al de woorden die Ik u gebied tot hen te spreken; doe er geen woord af. Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik gesproken heb ... tot op heden’ (Jer. 1:7, 9; 15:19; 26:2; 36:2).

De Here liet Ezechiël symbolisch de rol van Zijn openbaring opeten. Toen sprak Hij tot hem: ‘Maar als Ik tot u spreken zal, dan zal Ik uw mond (niet alleen maar ‘uw gedachten’ of ‘uw geest’) openen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HERE’ (Ezech. 2:9 tot 3:3, 27).

Volgens Paulus leerde de Heilige Geest Gods woordvoerders een gees­telijke taal, met woorden (in het Grieks, logoi: redevoering, woorden in hun juiste volgorde, in de levendige opeenvolging der zinnen), die beantwoorden aan de bovennatuurlijke boodschap die overgebracht moet worden, de gedachte van Christus Zelf (1 Cor. 2:13,16). Daarom zien we telkens weer dat een bepaalde openbaring naar voren komt uit een bijzondere uitdrukking, of dat een schrijver zijn hele argument baseert op één enkel woord, b.v.:

Mattheus 22:32 - Exodus 3:6: Door te zeggen ‘Ik ben de God van Abraham’, verzekerde de Here dat de aartsvaders nog in leven waren en gelijkertijd bevestigde hij daarmee het leven na de dood en de op­standing. (Zie ook Lucas 20:37-38).

Mattheus 22:45 - Psalm 110:1: Als David, geïnspireerd door de Geest van God, aan de Messias de naam Heer geeft evenals aan God, is dat, omdat hij in Hem veel meer ziet dan alleen zijn nakomeling naar het vlees. Jezus gebruikt dit als een bewijs voor Zijn godheid en brengt Zijn tegenstanders tot zwijgen.

Joh. 8:58 - Exodus 3:14: Toen Jezus uitriep ‘Eer Abraham was, ben Ik’, bevestigde Hij Zijn vóór-bestaan en Zijn godheid, want Hij nam weer de onuitsprekelijke naam van God aan die aan Mozes geopen­baard was. Hij zei ‘ben Ik’ - tegen de regels van de syntaxis in (niet ‘was Ik’). Hij legt dan ook de nadruk op Zijn eeuwige tegenwoordig­heid, waarbij de tijd wegvalt. De Joden begrepen precies wat Hij hiermee bedoelde en wilden Hem om dit ene woord stenigen.

Joh. 10:33-36 - Psalm 82:6: De Schrift, die niet gebroken kan wor­den, heeft hen tot wie het woord Gods gekomen is, ‘goden’ genoemd (en ‘zonen des Allerhoogsten’). Christus beroept zich op deze vermetele uitdrukking om te laten zien dat Hij Zelf, die uit de hemel was neder­gedaald, veel meer recht had om Zich Gods Zoon te noemen.

Galaten 3:16 - Genesis 12:7: God zei tot Abraham: ‘Aan uw zaad zal Ik dit land geven, niet aan uw ‘zaden’. Paulus ziet in dit enkelvoud een specifieke profetie betreffende de unieke persoon van Jezus Christus, uit het geslacht van Abraham.

We zouden nog veel meer dergelijke voorbeelden kunnen geven, maar we zullen ons beperken tot een beschouwing van de manier waarop de schrijver van de brief aan de Hebreeën zijn bewijsvoering baseert op een enkel woord van de bijbel:



Hebr. 1:5-6 - Psalm 2:7; 2 Sam. 7:14: God noemt de Messias Zijn Zoon.

Hebr. 1:9 - Ps. 45:8: de herhaling van het woord God, gebruikt voor de Zoon en voor de Vader.

Hebr. 2:6-8 - Ps. 8:4-6: ‘alle dingen hebt Gij onder Zijn voeten gelegd’ (onderworpen aan den ‘mensenzoon’). De schrijver herhaalt deze uitdrukking drie keer om de betekenis van deze on­derwerping en de verwezenlijking daarvan in de tijd te accentueren.

Hebr. 2:11-12 - Ps. 22:23: evenzo het woord broeders.

Hebr. 3:7-11 - Ps. 95:8-11: de twee woorden die hier benadrukt worden zijn ‘heden’ en ‘rust’.

Hebr. 6:13-17 - Gen. 22:16: God zei tot Abraham: ‘Ik zweer bij Mijzelf’, een uitdrukking die de schrijver van de brief herhaalt en uitwerkt.

Hebr. 7:3 - Gen. 14:I 5-20: Ook het verzwijgen in de bijbel is geïnspireerd. Het weglaten van elke aanduiding betreffende de af­komst en het geslachtsregister van Melchizédek wordt in verband gebracht met het eeuwige bestaan van de Zoon van God.

Hebr. 12:26 - Hag. 2:7: De woorden ‘nog eenmaal’ geven de zin een heel bijzondere betekenis.

enz. enz.

We kunnen als samenvatting zeggen, dat de betekenis van een schrift­gedeelte vaak geheel en al afhangt van:

een woord


een enkelvoud of meervoud
de tijd van een werkwoord
de bijzonderheden van een profetie
de nauwkeurigheid van een belofte
het stilzwijgen van de tekst op andere punten.

Voor de vroegere profeten ging hun boodschap dikwijls hun begrip te boven. Evenwel, de Geest van Christus die op hen was, hielp hen om met verbazingwekkende nauwkeurigheid aan te kondigen: de tijd van Christus’ komst (Dan. 9:22-27), de omstandigheden van Zijn geboorte (de aanduidingen in Mattheus 1 en 2), Zijn lijden (Ps. 22; Jes. 53) en de heerlijkheid van de opgestane Heer (Ps. 21; 110).

Zij zouden zeker fouten gemaakt hebben bij zo’n nauwkeurige be­schrijving, als God hen niet had geleid zelfs bij de keuze van de uit­drukkingen. Moesten zij niet van dingen spreken waar zij, noch de engelen, iets van af wisten en die voor de komende geslachten werden bewaard? En hoe zou Daniël boodschappen die hij niet begreep en die bestemd waren om verborgen en verzegeld te blijven ‘tot den eindtijd’ zonder Gods leiding in woorden hebben kunnen uitdrukken (Dan. 12:8-9)?

Evenmin kon de bewoording van de heilsbeloften aan de verbeelding van een menselijke auteur, hoe vroom ook, worden overgelaten. Neem bijvoorbeeld Johannes 5:24; iedere uitdrukking in dit vers is belang­rijk: de woorden, de werkwoordstijden, de handelingen en de godde­lijke verzekeringen. Jezus beantwoordt hier de allerbelangrijkste vraag, namelijk: Wat moeten wij doen om gered te worden? ‘Wie Mijn woord hoort (het woord van Christus) en Hem gelooft (de Vader), die Mij gezonden heeft / heeft eeuwig leven / en komt niet in het oordeel / want hij is overgegaan uit den dood in het leven’./

Op die wijze zijn geopenbaard:

de voorwaarden van het heil


de goddelijke Bewerker van het heil
het feit dat het heil een geschenk is
zijn actuele betekenis zijn eeuwige betekenis
de rol van het Woord en van het geloof

Wat zouden wij aan een dergelijke uitspraak kunnen veranderen!

Laten we nog het voorbeeld van 1 Joh. 5:13 bezien. Waarop berust onze heilszekerheid?

Johannes (de lievelingsapostel van de Here)
heeft deze dingen geschreven (en niet alleen maar gezegd)
opdat wij zouden weten (niet: hopen, voelen, vermoeden)
dat wij hebben (nu, niet later of in de hemel)
het eeuwige leven (de enige reden van ons bestaan)
wij die geloven (de enige voorwaarde waaraan wij moeten voldoen om de genade te ontvangen)
in de naam van de Zoon Gods (de enige naam gegeven aan de mensen ...)

Welke zekerheid zouden wij hebben als we elke keer wanneer we zulke heerlijke teksten lezen ons zouden moeten afvragen: heeft de schrijver hier niet overdreven? Gaat hij de goddelijke gedachte niet te boven? Zou het niet beter zijn deze uitdrukking door een andere te vervangen? Als de bijbelse tekst werkelijk onzeker zou zijn, zouden wij dan niet met Jeremia uitroepen:

‘Gij zijt mij waarlijk als een uitdrogende beek, water waarop geen staat valt te maken’ (15:18)?

Wat een wanhoop zou zich dan van ons meester maken ten aanzien van de zogenaamd goddelijke openbaring, waar we geen ander licht hebben om ons te leiden op de weg naar de eeuwigheid! Wat een tragedie om aan Gods Woord te twijfelen! Als we niet zouden weten waar we het kunnen vinden, als we niets anders tot onze beschikking zouden hebben dan wat brokstukken gevloeid uit de pen van feilbare schrijvers, dan zouden we werkelijk in het duister ronddolen.

Zoals E. Sauer zegt, de volledige inspiratie van de bijbel is noodzake­lijk geworden door de zondeval. Als de bijbel een mengelmoes zou zijn van waarheid en vergissingen, dan zouden we zelf moeten proberen uit te vinden wat we kunnen aanvaarden omdat het een goddelijke oor­sprong heeft, of wat we moeten verwerpen omdat het een toevoeging is die te wijten is aan een menselijke vergissing. Als de mens niet van boven een duidelijk criterium ontvangt, hoe kan zijn geest dan onder­scheid maken tussen wat goddelijk en wat menselijk is? Hoe zouden wij de vermetelheid kunnen hebben het boek van God te analyseren of zelfs het te ontleden, meestal op de basis van indrukken, subjectieve gevoelens of onvoldoende kennis van de geschiedenis?

Wat de gevallen mens denkt over God, is voor het grootste gedeelte foutief en in het algemeen onbetrouwbaar; het is slechts ‘religie’. De mens moet integendeel uitvinden wat de Allerhoogste over hèm denkt, en wat Hij getuigt over Zichzelf en over Zijn verlossingsplan. De objectieve, wezenlijke waarheid is een Persoon, niet een boek. Jezus Christus, mens geworden, gekruisigd en opgestaan, is de waarheid en het licht en de bron van alle kennis. Om Hem te openbaren aan men­sen, en door middel van mensen met een verduisterd verstand, was een bovennatuurlijke inspiratie vereist die volledig toereikend en betrouw­baar was. Net zo goed als wij genade nodig hebben vanwege onze morele onbekwaamheid, hebben we inspiratie nodig vanwege onze intellectuele en geestelijke onkunde.33


HOOFDSTUK IV



Dostları ilə paylaş:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   24


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©genderi.org 2019
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə